Alle berichten van Hans van Gemert

Mijn eerste vakantiedag

Het is gisteravond laat geworden, héél laat. Op de eerste plaats kwam dat door mijn baas, die me op de dag vóór mijn vakantie nog snel de nodige haastklusjes in mijn maag splitste. De eindtijd van 18:00u was al vanaf het begin onmogelijk te halen en dus diende er overgewerkt te worden, ook met het oog op de functioneringsgesprekken die begin komend jaar moeten plaatsvinden én het feit dat er een reorganisatie in de lucht hangt.

Toen ik dan tegen middernacht eindelijk thuis was, zat mijn hoofd nog zo vol van cijfertjes, presentaties en verslagen dat ik, om enigszins tot rust te komen, eerst absoluut nog een afzakkertje nodig had. Of nog iets meer, want ook het begin van mijn vakantie diende gevierd te worden. Afijn, verdere details lijken me niet nodig.

Ik heb geen idee hoe laat ik uiteindelijk ging slapen, want de cijfertjes op mijn wekkerradio waren met een eigen feestje begonnen en dansten uitbundig in de display op en neer.

Na een onrustige coma-nacht word ik wakker van een onverwacht geluid: de deurbel. De wekkerradio-cijfertjes zijn inmiddels voldoende tot rust gekomen om te laten zien dat het half acht is. Kreunend trek ik de deken weer over me heen. Stelletje onverlaten, op dit tijdstip!

Wie het ook is, hardnekkig is die persoon wel, want er wordt nogmaals aangebeld, langer en nadrukkelijker. Nu wordt het muzikale belsignaal ook ondersteund door een heuse ritmesectie, waarbij mijn voordeur het moet ontgelden. Het zijn geluiden die zo op de vroege ochtend na een lange, zware nacht tot een kloppend resultaat leiden: koppijn. Geen gewone, maar knallende.

Om het een graadje erger te maken hoor ik ineens de voordeur opengaan. Ik schiet overeind. Iemand met een sleutel? De enige die de sleutel van mijn voordeur heeft is, voor eventuele noodgevallen, mijn buurvrouw. Juist. Ik heb het nog niet bedacht of ik hoor een luide stem onder de trap. ‘Joehoe, buurman!’

Het is tijd om antwoord te geven, want ik zie haar er toe in staat om anders het hele huis te doorzoeken en ik ben, laat ik het netjes zeggen, bepaald niet gekleed op bezoek. Snel worstel ik mezelf uit het bed, onderdruk opkomend onheil vanuit mijn maag, gris mijn badjas van het haakje (waarbij uiteraard het lusje afscheurt) en steek mijn hoofd buiten mijn slaapkamer.

‘Buurvrouw, wat is er?’

Er volgt een onverwacht korte waterval van woorden. Iets met ‘naar mijn werk’, ‘staking op school’, ‘ophalen’ en ‘vier uur’. Dan nog een ‘dank je wel’ en de voordeur valt weer dicht. Nou ja.

Ik wil al opgelucht ademhalen en weer in bed duiken, als ik onverwacht beneden nog wat geluiden hoor. Kinderstemmen, en dan de televisie. Als een bom valt de betekenis van de spraakwaterval van de buurvrouw binnen. Vaag valt me in op welke zender die televisie gisteravond stond en dus haast ik mij, in verband met de tere kinderzieltjes, naar beneden. Iets te snel, waardoor ik enkele treden mis en vervolgens met de deur in huis val. Net op tijd om de televisie op een veiliger kanaal te zetten. Drie paar kinderoogjes staren mij verontrust aan. Eén van de kinderen heeft de bijna lege fles whisky aan de mond, de tweede heeft zich over de restjes in het glas ontfermd en de derde staart met grote ogen naar een inderdaad opvallende DVD-hoes. Van schrik laat de tweede het glas vallen en het brekende glas laat een geschrokken huilbui ontstaan. Solidair als ze zijn, huilen er even later drie, waarvan één hoestend en proestend, omdat het slokje whisky de verkeerde afslag heeft genomen.

Vooral vriendelijk, lief en aardig blijven, houd ik mezelf voor, en dus tover ik mijn mooiste glimlach tevoorschijn. Van schrik stopt het huilen, zodat ik de kans krijg om het drietal op de bank te duwen.

‘Zitten!’ zeg ik met een vriendelijker bedoeling dan het klinkt. ‘En kijken!’

Snel smijt ik wat ongerechtigheden in de kast en sprint naar boven om me aan te kleden, voor de stoppelbaard heb ik even nog geen tijd.

Als ik weer beneden ben staat de jongste op van de bank. ‘Ik moest plassen!’ Inderdaad, u leest het goed: verleden tijd. De plek des onheils is nog duidelijk te zien. Met water en zeep is de bank weer snel gered, maar de dader blijft huilend en nadruppelend toekijken. Juist. Dat kind moet een ook schone broek. Gelukkig is er een tas met benodigdheden, de buurvrouw heeft overal aan gedacht. Een kwartiertje later is de rust min of meer wedergekeerd. Niet lang, want de oudste meldt zich: ‘Ik heb honger.’

Als ook dat probleem naar tevredenheid is opgelost (en mijn provisiekast behoorlijk geplunderd) komt de middelste: ‘Ik wil op de computer.’

Dat kunnen ze wel willen, maar ik niet. Bovendien, kinderspelletjes ontbreken ten ene male in mijn digitale wereld en ik wil geen plakkerige, vieze kindervingertjes op mijn schone toetsenbord. Om nog maar niet te spreken over de digitale rampen die kinderen kunnen aanrichten. Geen computer dus. Onvermijdelijk volgt dan: ‘Ik verveel me!’

Het vervolg is een tikspel, waarbij ik slechts met moeite hier en daar een vaas, fotolijstjes of andere ornamenten weet te redden.

Met een zucht kijk ik naar de klok. Vijf over negen, nog een eeuwigheid te gaan.

Dan valt mijn oog op de bench, waar in vroeger tijden de hond in heeft geslapen. Ik aarzel. Zal ik, of zal ik niet?

(c) 2019 Hans van Gemert

Dit verhaal is geschreven in het kader van de schrijfuitdaging op ‘Schrijvelarij (dec. 2019)’

De thuiszorgwinkel

Mevrouw Van den Bussel keek stuurs naar de vriendelijke dame van de thuiszorg, of hoe heet dat tegenwoordig, die met een stiftje bepaalde producten uit de catalogus markeerde en op een lijstje zette. Als je die dame hoorde praten moest het beslist een zegen zijn om oud en gebrekkig te worden. Dan kon je namelijk eindelijk van al die verschrikkelijk handige hulpmiddeltjes gebruik gaan maken. Zo’n hefboom om je bed uit te komen. Of zo’n draaischijf om van positie te veranderen om gemakkelijker op te kunnen staan. Zo’n karretje waar je achteraan moest lopen of zo’n alarmknopje dat je om je nek kon houden en, hoe diep kun je zinken, al die luiers en luierbroekjes. Nou, het kon dan misschien handig zijn, maar het liefst had ze al die rotzooi gewoon niet nodig. Nou ja, de vergadering van hulpverleners had anders beslist.

Haar ogen dwaalden door het vertrek en bleven een ogenblikje hangen bij het portret van Martin, op het dressoirtje. Ach, ook al weer zo lang geleden. Met enige weemoed dacht ze terug aan de tijd toen ze nog jong en mooi was, toen ze nog weg kon rennen door de bergweides op die eindeloos lijkende vakanties, met Martin achter haar aan. Wat hadden ze gelachen toen ze samen in die hangmat probeerden om… nou ja, je weet wel. Het was geen succes gebleken, het jonge boompje waar de hangmat aan was vastgemaakt had geen weerstand kunnen bieden aan hun hevige activiteiten. Kinderen waren er toch gekomen, later. Hoe lang geleden inmiddels? Ze waren al zo lang het huis uit.

Terwijl ze zo nu en dan zonder te luisteren knikte naar de thuiszorgdame sopte ze haar koekje in de koffie. Ook al zoiets. Vroeger, toen ze haar eigen tanden nog had, waren koekjes, appeltjes en beschuitjes geen probleem geweest. Tegenwoordig verdroeg ze het kunstgebit maar zelden. Te los, te kriebelig, te knellend, te lastig.

‘Nou zullen we het zo maar doen?’

Met een schokje kwam ze bij deze woorden tot de werkelijkheid terug en een momentje staarde ze de thuiszorgdame onzeker en niet-begrijpend aan.

‘Die spulletjes, zullen we het zo maar doen? Dan mag u hier een handtekening zetten.’

O ja, die zogenaamde handige spulletjes. Met een zucht nam ze de balpen en zette haar bibberige handtekening onder het bestelformuliertje. Het leven kon spijkerhard zijn.

Maan

Maan

Stralend zilver

Tussen de sterren

Een baken van hoop

Schijnt een licht over liefde

Een beetje rust, een moment stilte

Ik laat het maanlicht over me stromen

Een vleugje inspiratie, papier en pen vol woorden

Ik hoor een melodie, ze is gevuld met manenstralen

Wandelen in het duister, het maanlicht wijst me de weg


(c)2018 Hans van Gemert

Stomme bal


Omringd door afgevallen bladeren ligt een rode bal in het midden van de vijver. Aan de oever staat een klein meisje met grote ogen en een beteuterde uitdrukking op het gezicht ernaar te kijken.

Elsje kan er niet bij, de vijver is te groot en de bal ligt te ver weg. Zou ze in het water stappen om de bal te halen? Ze heeft geen idee hoe diep de vijver is. Misschien te diep. Zwemmen kan ze niet en bovendien is het water zo laat in de herfst best wel koud. Ze heeft het geprobeerd. Eén stapje. Maar ze zette haar voetje snel terug toen ze het ijskoude water in haar schoen voelde lopen.

De bal ligt er nog steeds. Het lijkt wel alsof de bal plagend naar haar roept. ‘Lekker puh! Je kunt me toch niet pakken, je kunt me toch niet pakken!’
Verdrietig en boos roept ze terug: ‘Stómme bal!’  
De bal geeft geen antwoord, maar blijft onverstoorbaar in het midden van de vijver liggen.
‘Stómme bal!’, roept ze nog een keer en gooit een dennenappel die naast de vijver lag in de richting van de bal. Er klinkt een plons en er zijn kringen in het water te zien. De bal wiebelt een beetje op en neer. Elsje kijkt. Dat is apart, wiebelt die bal nou een stukje opzij? Misschien moest ze nog eens gooien.  Elsje kijkt om zich heen en ziet nog veel meer dennenappels liggen. Dat is mooi. Ze gooit er nog eentje. Ze hoort een tik en dan een plonsje. De dennenappel is tegen de bal geketst, waardoor deze inderdaad een stukje is opgeschoven. Maar niet ver. De bladeren op het water houden de bal tegen. Ze gooit nog eens, maar de bal blijft liggen. Vervelend.

Toch hebben de dennenappels haar op een idee gebracht. Ze kan iets naar de bal gooien. Misschien is een dennenappel gewoon te klein en moet ze iets groters proberen. Een steen. Of misschien een tak. Rond de vijver zijn geen stenen te vinden. Tenminste, geen losse. Stenen van het paadje liggen er wel, maar die liggen vast. Trouwens, dat zou oma ook vast niet goed vinden. Takken zijn er wel genoeg te vinden. Door de laatste storm ligt de tuin er vol mee. Je hebt kleine takken en grote. Korte en lange. Maar die lange kun je zo moeilijk gooien. Elsje sleept een paar korte takken naar de vijver. De takken zijn vies, haar handen nu ook, maar die kan ze gewoon aan haar jas afvegen. Ze gooit een van de takken. Dat valt niet mee, de tak is veel zwaarder dan een dennenappel, waardoor hij helemaal niet ver genoeg komt. Nee, dat werkt dus niet.

En een langere tak? Die is vast nog veel zwaarder. Elsje kijkt naar een lange tak op de grond. Dan kijkt ze weer naar de rode bal. Gooien gaat niet lukken. Maar misschien… Elsje krijgt een ander idee. Ze tilt de lange tak op. Lastig, want de zijtakjes blijven een beetje haken achter de struik. Ze trekt eens flink. De tak schiet los, met een bons valt ze achteruit, midden in het zand net naast de vijver. Ze valt gelukkig niet zo hard, dus ze staat op. Het zand was wel wat nat, maar daar let Elsje niet op. Met de lange tak prikt ze naar de bal. Ze kan er nét bij. Maar het lukt niet om de bal naar zich toe te halen, daar is de tak dan weer te kort voor.

Stomme tak en stomme bal! Ze wordt er moe én boos van en ze duwt de tak van zich af,  de vijver in. Het puntje van de tak duwt tegen de bal, die daardoor net over de opeengehoopte bladeren wordt getild. Langzaam maar zeker drijft de bal naar de kant aan de andere kant van de vijver.

Blij loopt Elsje om de vijver heen. Als ze zich uitstrekt moet ze er net bij kunnen. Héél voorzichtig,  om vooral niet in het water te vallen, reikt ze naar de bal. Ze kan er nét met de toppen van haar vingertjes bij. Bijna verliest ze haar evenwicht, maar het gelukkig weet ze de natte bal uit de vijver te vissen zónder er zelf in te vallen.

Met een triomfantelijk gevoel loopt Elsje met de bal naar het huis, waar mama gezellig met oma zit te praten.

‘Kijk eens mama, ik heb de bal!’

Mama kijkt naar het modderige meisje dat op de drempel staat. Héél blij kijkt mama niet …

(c)2017 Hans van Gemert

Spelletjes van vroeger

Peter zit voor het raam. Hij verveelt zich. Hij heeft al wel honderd keer op zijn horloge gekeken, maar de middag duurt nog wel heel lang. Mama heeft een idee. ‘Waarom bel je opa niet even?’

Dat is een goed idee. Opa kan altijd van die leuke verhalen vertellen. Peter pakt de telefoon en belt opa op. Natuurlijk vind opa het goed dat Peter komt.

Als hij bij opa binnenkomt doet hij snel zijn jas uit. Binnen is het warm. ‘Ja,’ zegt opa altijd, ‘oude mensen hebben het altijd koud’.
Nou, dat blijkt wel. Opa dit met een dik vest vlak bij de verwarming. Peter gaat zitten. Hij krijgt een lekker glas limonade met een koekje erbij. Opa heeft een kop koffie voor zich. Hij pakt een flesje koffiemelk en giet een scheutje melk in zijn koffie.

‘Opa’,  begint Peter, ‘vertel nog eens van vroeger, hoe jij speelde!’

Opa kijkt Peter over het randje van zijn bril aan. Dat ziet er een beetje streng uit, maar Peter weet dat opa dat helemaal niet zo meent.

‘Over vroeger?’ herhaalt opa, ‘Hoe wij speelden?’

Peter knikt.

‘Heel anders dan tegenwoordig,’ begint opa. Tegenwoordig zitten alle kinderen de hele dag binnen op hun televisie spelletjes te doen.’

‘Computer, opa, dat is een computer,’ onderbreekt Peter.

‘Ja, ja, dat weet ik natuurlijk wel. Waar was ik… O ja, hoe wij speelden.’

Opa neemt een slokje van zijn koffie.

‘Wij hadden niks,’ gaat hij verder, ‘we moesten ons speelgoed zelf maken.’ Hij neemt nog een slokje koffie.

‘Ik had eens een keer zin om met mijn broertje een zwaardgevecht te houden. Een zwaard hadden we natuurlijk niet, dus pakten we lange takken. Maar die waren weer niet zo sterk. In het gevecht sloeg je met een flinke tik zo’n zwaard gewoon doormidden, soms zelfs allebei tegelijk.’

Opa lacht een beetje voor zich uit en neemt nog maar een slokje.

‘Op een keer,’ lacht hij nu wat harder, ‘hadden we de breinaalden van mijn moeder gepakt. Dat waren nog eens zwaarden!  Met zo’n lekkere scherpe punt eraan. O, wat was mijn moeder boos. Ze braken wel niet, maar er kwamen allemaal bochtjes en deuken in. Wat hebben we op onze kop gehad zeg!’

Peter lacht. Opa die op z’n kop krijgt, dat is wel grappig.

‘Nou, dan gingen we maar naar buiten’,  gaat opa verder. ‘Omdat wij geen bal hadden moesten we er eerst zelf eentje maken.’

‘Zelf maken?’ onderbreekt Peter. Dát gelooft hij niet zomaar. Opa kan soms best gekke dingen zeggen.

‘Jazeker,’ gaat opa verder. We pakten dan een heleboel PTT-elastieken.’

Weer onderbreekt Peter. PTT-elastieken, wat zijn d’t nou weer.
Opa legt uit dat de PTT een oude naam is van de Post. En dat de postbode altijd een heleboel dikke elastieken had om de pakketjes post bij elkaar te houden. Als je geluk had, dan kon je soms van de postbode een heleboel van die elastieken krijgen.

‘Ja, en als je die elastieken over elkaar heen spande, dan kreeg je een harde en stevige bal. Een soort super-stuiterbal.’

Peter vind het wel grappig. Zelf een bal maken, dat moest hij toch ook maar eens proberen.

‘Maar op een keer,’ gaat opa verder, ‘stuiterde onze bal zo hard, dat hij tegen de ruiten van de buren tikte. Zat er ineens een flinke scheur in. In die ruiten dan!’

Peter wil weten wat opa toen deed.

Opa lacht een beetje beschaamd. ‘Wat denk je jongen,’ gaat hij verder. ‘Ik kon maar aan één ding denken. Heel hard weglopen!’

Ellende bij de supermarkt

Deze week ben ik de verliezer dus ik rijd de auto het parkeerterrein van de #supermarkt op. Nee, winkelen in het algemeen is geen hobby van me, vooral van kledingwinkels en supermarkten krijg ik bultjes. Rode, jeukende bultjes, waar je pas ruim na de beproeving weer vanaf komt en niet zelden zonder een medicijn, in vloeibare vorm,  in te nemen.

Meestal kunnen de boodschappen in een tas in de hand of aan de fiets mee naar huis, maar eens in de paar weken dient het zwaardere spul in huis te worden gehaald en dan is een auto met veel ruimte toch wel erg handig. En dan mag ik.

Het parkeerterrein is listig ingericht door een ontwerper die zelf waarschijnlijk geen auto rijdt, of het noodzakelijk ruimtelijk inzicht ontbeert. Alles kan en alles past, maar het vraagt een knap en oplettend sturen om die krappe parkeervakken in en uit te rijden.  Allerlei figuren die zich met volle winkelwagentjes naar hun auto’s begeven om daar alles uitgebreid over te hevelen maken het er ook niet echt gemakkelijker op. En natuurlijk zijn alle prettige parkeerplaatsen bezet. In een enkel geval  door een breed geparkeerde aso die extra ruimte heeft gecreëerd door half in twee vakken te staan, daar kan ik me best over opwinden. Ik denk er over om de wagen precies achter hem te zetten, zodat hij klem komt te staan. Het besef dat ik dan ook onschuldige mede-winkelslachtoffers  blokkeer weerhoudt me.

Ongeveer aan de uiterste rand van het parkeerterrein is nog een plaatsje. Ik zie de afstand die ik straks met een vol winkelwagentje moet afleggen en bedenk dat ik de auto ook thuis had kunnen laten. Zo ver woon ik niet van die supermarkt af en met een winkelwagentje loop je in tien minuten ook op en neer. Nou ja. Ik ben er nou toch.

Ik stuur de auto de parkeerplek op. Een achtergelaten winkelwagentje dat ik persoonlijk had gemist werd door mijn auto wel opgemerkt, ketste van mijn bumper af en bracht met een snerpend geluid een spannende kras met bijbehorend deukje aan op de ernaast geparkeerde BMW. Shit, shit, shit. Onwillekeurig kijk ik om me heen. Twee dingen. Heeft iemand het gezien en zijn er verderop nog andere parkeerplaatsen waar ik heimelijk naar toe kan vertrekken? Of, derde ding, zal ik weggaan om later nog eens terug te komen?

Twee dames  lopen achter de geparkeerde auto’s langs. Kijken ze, kijken ze niet of hebben ze gekeken? Dat is de grote vraag. Als ik hier lang blijf staan denken, dan kijken ze beslist.  Snel weggaan, dan kom ik mooi onder het gedoe uit.

Twee stevige tikken op het ruitje naast mij wekken mij uit alle ontsnappingspogingen. Naast mij staat een man in een duur blauw pak, dat kleurrijk afsteekt tegen zijn rood aangelopen gezicht. Erg blij kijkt hij niet. Van wegrijden is dus geen sprake meer, da’s nou jammer. Ik draai, een beetje onwillig, het raampje naar beneden.

‘Zeg vader’, schreeuwt het blauwe pak, hoewel ik me van geen familieband bewust ben, ‘wat denk jij wel niet?’ Een wat cryptische vraag, maar het vermoeden dat het blauwe pak iets met de BMW naast me te maken heeft begint voorzichtig vormen aan te nemen.

‘Uhh, ja sorry, ’ begin ik mijn verweer, ‘dat winkelwagentje…’

‘Uitstappen!’ schreeuwt het blauwe pak verder, ‘anders trek ik je door dat raampje naar buiten!’ Nou is dat raampje niet erg groot en het idee daardoor de auto te moeten verlaten trekt me niet erg. Met knikkende knieën, kloppend hart en zweethandjes verlaat ik de auto. Valt nog niet mee, want de ruimte op zo’n parkeerplaats…. Nou ja. Hebben we het al over gehad.

‘Wat denk jij wel? Een beetje mijn hele auto vernielen!’

Nou ja, hele auto vernielen…  Je kunt ook overdrijven en zo’n opmerking vraagt dan ook om enige relativering. Ik tracht het blauwe pak duidelijk te maken dat het maar een klein deukje en een klein krasje is. En bovendien, het is zijn eigen schuld, waarom zet hij dat winkelwagentje dan ook op zo’n stomme plaats?

Niemand heeft me gewaarschuwd voor ontploffingsgevaar, vuurwerk of zeer plaatselijk onweer met bliksem en donderslagen, maar iets dergelijks moet precies op dat moment zijn losgebarsten, tegelijk met een acute zonsverduistering.

Ik word wakker in een ziekenhuisbed, vraag me af waar en wie ik ben. Een vriendelijke verpleegster snelt toe en verzekert me dat alles goed komt. Ze noemt een naam, die ik niet als de mijne herken.  Misschien door al dat verband om mijn hoofd. In de weerspiegeling van de ruit herken ik mezelf niet en vraag me af hoe ik ineens hier terecht ben gekomen. Wakker geworden in een vreemde wereld, mezelf niet herkennend en verplegend personeel dat alles over me schijnt te weten. Een vreemd gevoel  bekruipt me, maar niet lang. Langzaam zak ik opnieuw weg in een donkere tunnel van bewusteloosheid.

Het gaat inmiddels best wel weer goed met me. Ik mag al weer twee keer per dag even in een stoel naast het bed zitten. Misschien mag ik volgende week naar huis. Hopelijk heeft iemand anders dan de boodschappen gedaan.

 (c) 2014-2017 Hans van Gemert

aandachtig blijven luisteren

Ik zit aan tafel in de collegezaal. Mijn vingers zitten in een kramp, mijn pen gaat gehaast over het papier. Ik wil niets missen en noteer zoveel mogelijk van wat de spreker ons vertelt. Het verhaal is interessant,  de spreker goed en het liefst zou ik ademloos naar hem willen luisteren. Maar omdat ik bang ben dat ik het dan niet allemaal zal kunnen navertellen dan toch maar die aantekeningen. Ik heb een soort van persoonlijk steno ontwikkeld, dat het midden houdt tussen letters, woorden, streepjes en punten. Het is prima te lezen, tenminste als ik het vandaag nog probeer uit te werken. Wat mijn ogen niet zullen herkennen wordt vandaag hopelijk nog door mijn geheugen aangevuld.

Het velletje papier is bijna vol, maar ik heb overal op gerekend, het is niet waarschijnlijk dat de goede man nog een hele schrijfblok lang aan het woord zal blijven. Ook schrijfgerei heb ik voldoende op voorraad bij me, ook daar zal het niet aan liggen.

Vanuit mijn rechter ooghoek zie ik de deur van het lokaal opengaan en twee mensen komen binnen. De spreker gaat door met zijn verhaal zonder enig acht te slaan om de laatkomers. Een jongen en een meisje staan op de drempel en scannen gehaast de zaal om vrije plekken te vinden. Die zijn er niet veel, maar toevallig zijn er naast mij twee stoelen leeg. Ze schuiven tussen de rijen door, wat met hun tassen in de hand niet gemakkelijk gaat. Schuivende stoelen verschaffen de nodige doorgang, maar maken tegelijk het verhaal van de spreker onverstaanbaar.

Ik spits mijn oren tot het uiterste om details op te vangen waarmee ik de verloren brokstukken van het verhaal zou kunnen repareren. Onzekerheid blijft knagen. Heb ik nu niet iets belangrijks gemist?

De laatkomers zijn inmiddels bij de vrijgekomen stoelen aangekomen en ze gaan zitten. Het tafeltje wordt uitgeklapt, papieren worden tevoorschijn gehaald, dan een pen en vervolgens natuurlijk een mobiele telefoon. Fluisterend wisselen ze de nodige informatie uit, niet hard, maar hard genoeg om een volgend gat in het betoog te slaan. Ik voel een irritatie, maar wil er eigenlijk niets van zeggen, bang om nog meer te missen. Een zoemende, trillende telefoon op het tafeltje naast me attendeert de nieuwkomer op een ongetwijfeld belangrijke boodschap, die vervolgens weer fluisterend en lachend wordt gedeeld en besproken. Een hele diepe zucht ontsnapt me. Per ongeluk? Dacht het niet.

Ik sis een geïrriteerd ‘Shhh!’ naar rechts, in de hoop dat het stil wordt. Dat wordt het even ook. Ik hoor een gemompeld ‘nou nou’, maar de rust lijkt weder te keren en ik concentreer me weer op de spreker en laat de pen weer over het papier vliegen.

Dan zoemt en trilt er weer een telefoon, heel dicht bij. Mijn vuisten ballen zich, geïrriteerd en woest kijk ik op, en meteen weer neer. Het was de mijne…

©2014 Hans van Gemert