Alle berichten van Hans van Gemert

Beslommeringen van een directeur

Evert-Jan van Stoetewael keek vanuit zijn directiestoel naar buiten. Dat was misschien het enige voordeel van zijn werk, een kantoor op de bovenste verdieping en met een fantastisch uitzicht over stad en streek.

Zijn vader en grootvader waren vóór hem ook directeur geweest van het familiebedrijf, een van de grootste zuivelfabrieken uit het gewest. Trotse mannen met een groot plichtsbesef en een enorme werklust. Evert-Jan had dat wat minder. Begrijp me goed, hij was niet lui aangelegd en met zijn plichtsbesef was ook niets mis. Als het nu maar een ander soort fabriek was geweest. Tandpasta of zo. Want een zuiveldirecteur met een koemelk-allergie, die letterlijk over zijn nek ging bij de aanblik van een glas melk of een bekertje yoghurt, dat maakte niet bepaald een sterke indruk.

Evert-Jan zuchtte diep. De dag was vandaag ook al niet best begonnen. Hij had juist zijn auto geparkeerd en was op de voordeur afgestapt toen hij een penetrante geur opving. Achterom kijkend zag hij bruine voetstappen en een blik onder zijn schoenzolen bevestigde zijn bange vermoeden. Door binnen te lopen zou hij de nieuwe mat opsieren met vlekken en een stevige geurvlag. Dat mocht niet gebeuren en die schoenen moesten dus schoon. Zijn vingers waagde hij daar niet aan, zijn gouden vulpen ook niet. Uit de grote asbak bij de voordeur zocht en vond hij tussen de peuken een afgebrande lucifer om daarmee de ongerechtigheden weg te pulken. Toen de lucifer brak en hij alsnog met zijn vingers in de smurrie terecht kwam ontsnapte hem een kreet van ergernis. Hij prees het lot dat hij altijd een stevige zakdoek bij zich had, zeg maar formaatje tafelkleed, en veegde hiermee zijn vingers schoon. De zakdoek vouwde hij zorgvuldig op en stopte deze gedachteloos weer in zijn broekzak. Een kwartiertje later kwam hij deze  echter weer tegen toen hij werd overvallen door een flinke niesbui bij de aanblik van een nieuwe reclameposter met daarop prominent een glas melk.

Een kwartiertje poetsen in de toiletruimte, waarbij het hele programma aan zeepjes uit de kast werd gehaald, had het grootste deel van de dampen die rond vingers en neus waren blijven hangen min of meer weggewerkt.

De zakdoek had hij niet meer in zijn broekzak durven steken. Even had hij getwijfeld, misschien zou hij met een schaar de vuiligheid kunnen wegknippen, maar nadere inspectie leerde dat dit een hopeloze exercitie zou zijn. Met spijt schoof hij de zakdoek in de afvalbak in de toiletruimte. Met een vage grijns bedacht hij dat de geur daar in ieder geval minder uit de toon zou vallen. Wel jammer, hij zou weer naar de winkel moeten voor nieuwe zakdoeken.

Een mooie dag

Het was nog vroeg in de ochtend, maar het zonnetje scheen al volop. Het beloofde een prachtige dag te worden, zo een die het liefst met koffie, een croissantje en een krantje begonnen wordt. Het krantje hoefde niet per se vers te zijn, de andere delen van dit ochtendensemble uiteraard wel.

Bert had een ideaal plekje gecreëerd, een houten bankje dat hij juist voor het grote raam van de winkel had geplaatst. Dat was een slimme gedachte geweest, want nu was er altijd wel aanloop, of het nu om een winkelaankoop binnenshuis ging, of enkel een praatje daarbuiten. En met een beetje geluk kwam het van het praatje toch tot de een of andere noodzakelijkheid die hij toevallig in zijn winkel op voorraad had.

Toch was het bankje in de regel zo vroeg op de ochtend vaak nog leeg, en het was daarom een verrassing dat hij Willem aantrof, die met een vrolijk gezicht de vroege ochtend inkeek.

‘Goedemorgen, ‘ groette Bert,  ‘je bent er vroeg bij vandaag.‘

‘De morgenstond, Bert, je weet het. Heb je voor mij toevallig ook zo’n lekker bakkie koffie?’

‘Voor jou altijd. Als je er een croissantje bij wil, ga je gang.’

Even aarzelde de hand van Willem boven het broodmandje, maar op het laatste moment trok hij, geheel volgens het gebruikelijke ochtendritueel, zijn hand terug. ‘Nee, ik wil je niet van je ontbijt beroven, jij hebt het harder nodig dan ik!’

Het gesprek ontlokte bij beide mannen een glimlachje, het was een goede, gebruikelijke start van de dag, al was het vandaag dan vroeger dan anders.

‘Ik ga de stad uit,’ verduidelijkte Willem, ‘ze halen me straks op. Maureen en de kinderen komen opa weer eens uitlaten.’

‘Ah, vandaar het vroege tijdstip,’ begreep Bert.

‘Weet je, voor mij hoeft al die heisa niet zo, maar de kleinkinderen vinden het leuk, en dat vind ik dan weer leuk. ‘

‘Dat snap ik wel,’ antwoordde Bert, en hij begreep het ook werkelijk, al was hijzelf niet gezegend met kinderen of kleinkinderen. ‘Waar gaan jullie heen?’

Willem haalde zijn schouders op. ‘Geen idee, dat is elke keer weer een verrassing. Heb je nog wat van die koffie?’

‘Natuurlijk.‘

Even was het stil, terwijl beide mannen van hun koffie nipten. Omdat het zo’n heldere zonnige dag was, kon je in de verte op de landweg een klein stofwolkje groter zien worden.

‘Kijk,’ wees Bert, ‘daar zul je ze hebben, ‘

‘Ja,’ antwoordde Willem, en zo snel als hij kon dronk hij zijn koffie op, ging staan en klopte stof en wat denkbeeldige pluisjes van zijn broek af.

‘Nou, veel plezier dan.’

‘Dank, dat zal wel lukken.’ Die laatste woorden klonken wat gehaast, want de wagen was inmiddels vlak voor de winkel gestopt. Het portier ging open en twee blonde kinderen kwamen uit de wagen en op Willem af gehuppeld. ‘Opa!’

Een momentje moest Willem zich schrap zetten om zich staande te houden tegen het aanstormende jeugdig enthousiasme.

‘Dag schatten van me!’

De begroeting was kort en hevig, en het duurde ook niet lang voor Willem met zijn kleinkinderen was ingestapt. Al even snel was de auto gestart en weggereden.

Bert keek het vertrekkende gezelschap na tot het niet meer dan een stipje aan de horizon was. Hij knipte eens met zijn vingers, raapte de lege koffiebekers op en liep ermee naar binnen. De zon scheen nog steeds in een helderblauwe hemel.

Het zou beslist een mooie dag worden.

De ochtend

Het is warm, ik voel me behaaglijk en gelukkig.
Ik open lui mijn linkeroog, het rechter oog doet nog niet mee, zit nog tegen het hoofdkussen gedrukt. Het is donker. Als vanzelf valt mijn oog weer dicht. Het feest van de vorige avond echoot nog in me door en de herinnering aan de mooie vrouwen krult mijn lippen tot een glimlach. Wát een avond en wat een geluksvogel was ik.

Mijn linkeroog gaat weer langzaam open. Ik knipper er een paar keer mee en besluit mijn hoofd zo te draaien, dat ook mijn rechteroog mee kan gaan doen. Het is nog behoorlijk donker om me heen. Een dun straaltje morgenlicht heeft de kiertjes in het gordijn gevonden, genoeg voor vage omtrekken. Het lome slaapgevoel hangt nog heerlijk om me heen. Nog eventjes blijven liggen, nog even lekker doorsoezen. Wat een meiden, gisteren. Ik kan me er twee nog voor de geest halen. Een blonde en een donkere, allebei door de natuur voorzien van uitbundige aantrekkelijkheden.  Met een glimlach merk ik hoe mijn lichaam op de gedachten reageert.

Ik strek mijn armen naar de plek naast me in bed, in de hoop de nacht nog wat te kunnen verlengen. Mijn handen stoten onzacht tegen de muur, het bed is niet zo breed als ik gedacht had. Aan de andere kant voel ik een ijzeren rand. Er ligt niemand naast me. Dat is jammer, ik had graag even gezien of ik bij de blonde of de donkere dame in bed was beland. Tot mijn spijt merk ik dat ik me van de afloop van de avond niets meer voor de geest kan halen, helaas ook niet van de erop volgende nacht. Ik had het, om mijn herinneringen weer boven tafel te krijgen, nog graag eens dunnetjes overgedaan.

Mijn hand schuift onder de dekens. Tot mijn verbazing voel ik kledingstukken waar ik niets had verwacht. Het brengt een onverwacht gevoel van onrust in me naar boven. Waar ben ik hier eigenlijk? De zonnestralen worden intenser en dringen beter de kamer door. Ik zie de onbekende omtrekken van een deur, de ramen met de gordijnen, een tafeltje en een kast. Het lijkt maar een klein kamertje.  

Ik gooi de deken van me af en ga rechtop zitten. Een plotseling opkomende koppijn en een golf van misselijkheid doorstromen me, alsof ik word gestraft voor mijn snelle beweging. Ik haal een paar keer diep adem en wrijf over mijn kloppende slapen. Ik voel haar. Mijn haar. In plaats van mijn krulhaar voel ik korte stekeltjes. Wat hebben ze verdomme met mijn haar gedaan?  Mijn handen gaan langs mijn wangen, mijn lippen en mijn kin. Ik voel een volle snor en een baardje. Luid klopt mijn hart in mijn keel, mijn mond wordt droog en ik voel hoe mijn hartslag begint te ratelen. Hoe lang ben ik al hier? Tijdens het feest gisteren… als dat gisteren was…. was ik gladgeschoren. Er trekt een duizeling door me heen. Ik probeer diep te ademen om de spanning weg te laten ebben. Lukt niet. Ik zwaai mijn benen over de rand van het bed en probeer op te staan. De duizelingen komen terug, maar ik zet door. Nog maar eens diep ademhalen, en nog eens.

Mijn hand strek ik uit naar het gordijn en schuif het een stukje open. Het licht stroomt fel naar binnen en verlicht het kleine kamertje. Grauwe muren, verschoten gordijnen en een vloerbedekking in een onbestemde kleur. Er liggen wat kledingstukken op de enige stoel in de kamer. Een broek en een shirt, onbekende spullen. De kamer is verder leeg en absoluut niet wat ik van die twee meiden gisteravond had verwacht. Ze hadden allebei toch een exclusieve uitstraling, die absoluut niet bij dit armoedige kamertje paste. De omgeving buiten zegt me helemaal niets. Ik zie flats, muren en steen. Het ziet er oud en vervallen uit. Niet mijn soort omgeving, kan ik je vertellen.

Ik kijk langs mijn lijf. Ik draag een t-shirt met vlekken en gaten en een onderbroek. De onrust neemt toe, het zijn niet mijn eigen spullen. Dan overvalt me een golf van paniek. Mijn lijf, er is iets helemaal mis met mijn lijf. Ik kan niet verwoorden wat er aan de hand is, maar er is iets dat me niet vertrouwd is, iets dat niet klopt. Dan zie ik de haartjes op mijn benen. Donker gekleurd en duidelijk aanwezig, terwijl ik blonde en nauwelijks zichtbare beharing op mijn benen heb.  Een moedervlek op mijn knie ontbreekt, maar op mijn onderbeen zie ik de witte streep van een onbekend litteken. Mijn hart slaat een paar slagen over, om daarna in alle geweld de verloren slagen in te halen. De paniekgolf komt terug. Er is iets helemaal mis, wat hebben ze met me gedaan?

Dan hoor ik voetstappen op een trap buiten de kamerdeur en even later gaat mijn kamerdeur open. Een jonge man, enkel gekleed in een onderbroek, staat in de deuropening. ‘Ha, je bent al wakker’, zegt hij glimlachend en met een paar passen staat hij in de kamer, vlak voor me. Voor ik er erg in heb slaat hij zijn armen om me heen en kust hij me vol op de mond. Ik voel zijn handen op mijn billen, op mijn lijf, onder mijn t-shirt. Ik ben aan de grond genageld, weet niet wat ik moet doen, wil ook helemaal niets doen, maar voel tot mijn ontzetting hoe mijn lichaamsreflexen onwillekeurig en onwillig reageren.  Dan laat hij me los. Hij lacht. ‘Je hebt gelijk, jammer,’ zegt hij, ‘daar hebben we even geen tijd voor’. Onwillekeurig – of niet – strijkt hij met zijn hand tussen mijn benen, wat me, opnieuw tot mijn ontzetting, niet onberoerd laat. ‘Kleed je gauw aan, ze komen ons ophalen.’

Dan is hij weg, de deur sluit. Hij laat mij totaal verbijsterd en besluiteloos achter. Als dit een droom is, dan is het een hele slechte.

Ons pension

Geheel tegen mijn gewoonte (en de omstandigheden) werd ik midden in de nacht wakker, een kort momentje gedesoriënteerd. 

Het was zo donker dat ik geen hand voor mijn ogen zag. Op de tast zocht ik naar het lichtknopje, maar dat was uiteraard tevergeefs, zo’n ding hebben we in deze kamer helemaal niet, volgens onze huisbaas hebben we dat ook niet echt nodig.

Elk jaar in november en december lig ik met Igor en een zestal land- en lotgenoten in dat kleine kamertje. Vier stapelbedden en daartussen een smal pad om te lopen. Volgens de huisbaas, tevens de chef op het werk, is dat een riant onderkomen voor een achttal seizoenarbeiders en bovendien, volgens hem, met iets meer dan driehonderd euro per persoon spotgoedkoop. De toeslag voor gas, licht en water, houdt hij van ons salaris af. Omdat we ons geld in een envelopje meekrijgen hoeven we gelukkig geen belasting te betalen, dat scheelt alweer.

Het onderkomen is voorzien van alles wat we nodig hebben, op het water na. Gelukkig regent het regelmatig in Nederland en wordt de watervoorraad door al die regenbuien wel weer aangevuld. We hebben een rol keukenpapier meegekregen, zodat we zelf eventuele kiertjes langs de kozijnen met stukjes papier kunnen opvullen als het teveel zou tochten. Dat tochten valt gelukkig mee, met acht man op de kamer is het eigenlijk alleen maar fijn dat er ook wat ventilatie is. Het is alleen jammer dat we ook last van ongedierte hebben. Waren het nou alleen muizen geweest, daar hadden we nog mee kunnen leven, maar Igor heeft enkele ratten zien lopen. Niet best. Volgens de huisbaas komt dat omdat we teveel eten op onze kamer hebben. Dat valt eigenlijk nog wel mee, hooguit wat chips of hazelnoten. Zoveel tijd om daar te eten hebben we toch niet, ‘s ochtends staan we al om zes uur op het werk en we zijn meestal pas om negen uur ‘s avonds weer terug op onze kamer. Uiteraard bellen we eerst met onze familie thuis (hoge telefoonrekeningen nemen we maar voor lief) en na een enkel glas (je moet toch wát) zijn we blij als we mogen gaan slapen. Mochten we iets te diep in het glaasje hebben gekeken, dan kunnen we bij de huisbaas van die handige paracetamoltabletjes kopen, zodat ons werk de volgende dag niet te veel onder dat ene glaasje hoeft te leiden.

De huisbaas had wel een goed idee tegen het ongedierte en heeft ons enkele flessen terrasreiniger bezorgd. In principe is dat goedje voor buiten, maar volgens hem verdrijft de lucht van dat spul al het ongedierte vanzelf. Wat die lucht betreft heeft hij overigens gelijk, maar helaas trekken de ratten en muizen zich er (te) weinig van aan, we vonden vanmorgen tenminste weer enkele keutels op het vloerkleed.

Omdat we zo vroeg vertrekken en pas laat weer terugkomen hebben we de mogelijkheid om van de bedrijfskantine gebruik te maken, waar we voor ongeveer een tientje een warme maaltijd kunnen krijgen. Afgezien van de blijkbaar universele soep is het goed gevarieerd, de ene dag krijgen we brood met een gehaktbal, de volgende dag een boterham met een eitje. Ik had er gisteren een met een dubbele eierdooier; een unicum waar ik slechts een euro extra voor hoefde te betalen. Zeg nou zelf, dat is toch een koopje?

Dit verhaal is tot stand gekomen door een combinatie van schrijfuitdagingen. Klinkt het wat overdreven? Dat hoop ik dan maar…

De kat van de buren

Katten die een ravage aanrichten in je tuin? Daar bedenk ik de perfecte oplossing voor…

Afbeelding door Jackson Jost via Unsplash

Nadat de kat van de buren voor de zoveelste keer mijn bloembed vakkundig en grondig naar de filistijnen had geholpen kon ik er niet meer tegen en hing ik bij de buurvrouw aan de bel.

Zoals wel meer katteneigenaren werd ze niet bepaald warm of koud van de problemen die haar lievelingen hadden aangericht, maar ze wilde me toch nog wel een tip meegeven:

‘Ach buurman, maak je niet zo druk, er zijn toch nog zat planten over? Maar als onze Mimi, de schat, naar jouw planten gaat, dan pak je toch gewoon de plantenspuit. Daar houdt onze Mimi niet van, en het is nog goed voor de planten ook. Nou, dàg buurman!’

De deur sloot voor mijn neus en daar stond ik dan. Haar advies was natuurlijk maar flinterdun. Wie gaat er nu de hele dag gewapend met een plantenspuit in zijn tuin zitten om een eventuele indringer weg te jagen? Zul je net zien, de hele dag geen kat in beeld tot het moment dat je even naar binnen gaat voor een versnapering of een sanitaire noodzakelijkheid. Dergelijke momenten worden door katten in het algemeen en die ellendige Mimi in het bijzonder misbruikt om de grootst mogelijke ravage aan te richten. En wat dacht je van de nacht, bij uitstek de tijd waarop het kattengespuis rondsluipt en argeloze muizen en vogeltjes verschalkt. En nog erger: mijn bloembed! En met niet meer middelen ter verdediging dan een eenvoudige plantenspuit! Ik zou geen oog meer dichtdoen!

Nee, dit probleem vroeg om een iets gedegener oplossing dan een plantenspuit. Het idee van het water spuiten is zo gek nog niet, maar dat water mag wat harder en wat verder. Ik zag de kinderen van drie deuren verderop wel eens op de hete, zomerse dagen met buitensporig grote waterpistolen. Misschien is ‘waterkanonnen‘ een beter woord. Dat leek me precies wat ik nodig had.

De plaatselijke speelgoedhandel had precies wat ik nodig had. De Super Max XXL, dat leek me wel een aardig formaat. Thuisgekomen vulde ik het niet onaanzienlijke reservoir met water en posteerde mijzelf op een stoeltje bij het grootste gat in de heg. Niet meer dan logisch toch, dat de sluipende onverlaat de meest voor de hand liggende route zou nemen? Nou, fout gedacht dus. Vijf meter verderop flitste een gestreept kattenlijf door kleiner, iets beter verborgen heggengat.

Zo’n grote Super Max XXL, goed gevuld met water, zwenkt helaas niet zo snel als gewenst, en daarom miste ik de indringer op grote afstand.

Voor alle problemen heb je oplossingen. Je moet gewoon een beetje creatiever en professioneler denken, dus in minder dan geen tijd was ik terug in de winkel, waar een gelukkige verkoper mij nog van een twintigtal exemplaren kon voorzien. In het tuincentrum verzekerde ik mij van de nodige meters tuinslang. De ruim twintig waterkanonnen plaatste ik strategisch in de tuin, waarbij alle mogelijke gaten in de heg bestreken konden worden. Uiteraard aan alle kanten, behalve Mimi houd ik zo ook alle overige Felixen en zo buiten mijn terrein. Met de tuinslang verbond ik alle reservoirs met elkaar, zodat ik geen tijd hoefde te verspillen aan het bijvullen. Het uiteinde koppelde ik aan de buitenkraan aan.

Nu nog twee dingen in huis zien te halen, en dan was ik klaar. Een bewegingscensor en een automatische bediening. Het is een hoop werk, maar dan heb je ook wat. Een uurtje later keek ik vol trots naar mijn volautomatische kattenverjager. Laat die verwenste Mimi of een van haar mauwende soortgenoten slechts een kattenhaar in mijn tuin steken of er breekt een orkaan van waterkanonnen los, waar de honden geen brood van lusten. Bij wijze van spreken dan, want het gaat natuurlijk om katten.

Als ik een uurtje later tevreden aan de koffie zit, zie ik tot mijn onuitsprekelijke vreugde hoe de kattenverjager enkele keren in werking treedt als dat ellendige beest een poging doet de verboden grens te overschrijden. Trots en tevreden over mijn werk nip ik nog eens behaaglijk van mijn koffie.

Het gerommel in de keuken vertelt mij dat mijn vrouw van haar werk is thuisgekomen.

‘Weet je wat ik gedaan heb, lieverd,’ roep ik vol trots, ‘die ellendige kat kan nooit meer in onze tuin komen. En weet je hoe ik dat gedaan heb?’

Op de drempel zie ik haar staan. Geschrokken en doorweekt.

‘Oh… je weet het al, geloof ik…’

Janus de pottenbakker

Met veel gepiep en gekraak draaide het deurtje van het schuurtje open en Janus Bergman trad binnen. Een kort momentje wachtte hij om zijn ogen te laten wennen aan het spaarzame licht. Het raampje liet niet veel licht door, het zat zo vol met spinnenwebben en stof dat zelfs de dikke boom voor het raam maar nauwelijks zichtbaar was. 

Een druk op de lichtknop en een kleine gloeilamp, relikwie van een voorbij verleden, zorgde ternauwernood voor voldoende licht boven de werkbank. Janus hing zijn pet aan de spijker naast de deur en wreef zich eens in zijn handen. Dat was het enige nadeel hier, een verwarming ontbrak.

Het schuurtje met de werkbank en alle spulletjes was zijn lust en zijn leven. Dat was zeker zo sinds Mien was weggegaan, al zoveel jaren geleden. Daarna was er geen vrouw meer in zijn leven geweest, niemand met wie hij in de ochtend een beschuitje of een sneetje brood kon eten. Dat was van de ene kant jammer, hij had ook zo zijn behoeftes. Van de andere kant bespaarde hem dat de nodige huiselijke vergaderingen over wie of wat in huis zou moeten doen. Goed, al die dingen moesten nu ook gebeuren en nu alleen door hemzelf, maar hij kon tenminste zelf bepalen wanneer of hoe vaak. Van overdreven hygiëne had hij nooit gehouden, van een beetje stof of wat vegen zou hij beslist niet doodgaan. En als dat wel zo was, jammer dan. Tegenwoordig sliep hij in een hangmat, dat bespaarde bovendien een hoop beddengoed.

Uit de luchtdichte voorraadbus viste hij een nieuw blok klei op, maakte het zo vochtig als nodig was en zette het op de draaischijf. Hij nam plaats op het krukje en trapte met zijn voeten de draaischijf aan. Het was elke keer weer magisch hoe hij onder zijn vingers vanuit een blok klei een vaas of beker kon zien ontstaan. Hij had inmiddels een hele verzameling vazen klaar staan. Als ze droog genoeg waren kraste hij met een graveerstift aan de onderzijde zijn initialen.  Dat hoorde erbij, de handtekening van de meester. Dan waren de werkstukken nog niet klaar, ze moesten altijd nog wat verder drogen voor ze in de oven mochten. Zette je de vazen te vroeg in de oven, dan liep je het risico dat ze uit elkaar zouden klappen. Janus had er gevoel voor, misbaksels kwamen bij hem maar zelden voor.

Pas toen het buiten helemaal donker was geworden knipte Janus het lichtje in het schuurtje uit. Het was weer een goede avond geweest en langzaam schuifelde hij terug naar het woonhuis.

Het belletje van tante coby

Moeizaam sleept tante Coby de emmer met vuil water hoger het keldertrapje op. Het was al jaren geleden dat de kelder een grote beurt had gehad, en het schoonmaken was hard nodig geweest. Heel hard. Het water ziet inmiddels donkerzwart en er drijven niet nader te noemen vuiligheden in.

De deurbel klingelt genadeloos hard door het huis en van schrik vlucht een golf zwart water op tantes rok. Ook dat nog.

Haastig zet ze de emmer in de gang en ze spoedt zich naar de voordeur. Ze kijkt naar voren, dan eens links, rechts, naar boven en beneden. Niemand te zien. Ook geen haastig afgeleverd postpakket. Dat is raar. Zou ze zich vergist hebben? Vergissen is voor tante uiteraard nagenoeg onmogelijk, maar de realiteit is daar: er is echt helemaal niemand.  Ze haalt haar schouders op en sluit de deur.

Ze is nauwelijks terug bij haar emmertje als opnieuw de deurbel gaat. Er golft opnieuw wat, maar nu is het een heftige emotie. In enkele stappen is ze opnieuw bij de deur. Weer is er niemand te zien, maar het geluid van wegrennende voetjes is onmiskenbaar. Wat nu, er achteraan jagen? Welnee, ze weet iets beters. Hier dient hulp te worden ingeroepen:

‘Frits! Ze hebben weer belletje getrokken!

Oom is snel ter plaatse. ‘Geen zorg, ik regel dat!’

Gerustgesteld loopt tante weg, maar met een spoortje twijfel. Zou oom snel genoeg zijn? Een klein testje kan geen kwaad. Stilletjes sluipt ze via de achterdeur naar de voordeur en belt aan.

Als door een wesp gestoken veert oom op, grijpt de emmer uit de gang, opent de deur, en smijt de emmerinhoud naar buiten. Belletje trekkers raakt hij niet. Tante wel.

Op zoek naar kabouters

Het bos is vol met bomen, struiken en groen. Zonlicht speelt tussen de takken een schaduwspelletje. Het is hier stil. Het verkeerslawaai is ver naar de achtergrond, zodat vogels en soms ook insecten zich kunnen laten horen.

Het bos zit vol met spanning, geheimzinnigheid en raadsels. Levende sprookjes verschuilen zich overal achter stammen, tussen blaadjes, in een greppel en achter een of ander heuveltje. Zijn we hier alleen, of worden we door goedmoedige en waakzame oogjes in de gaten gehouden? Wie weet bieden paddenstoelen of dikke eikenbomen toegangswegen tot de ongeziene werelden vol trollen, elfjes en kaboutertjes. Wie zal het zeggen.

Toen onze kinderen nog klein waren, gingen we vaak wandelen in het bos. Tijdens deze wandelingen waren we altijd bedacht op een onverwachte ontmoeting. Met een kabouter, wel te verstaan. Ze konden overal verstopt zitten, door ons verrast in hun bezigheden. Het was daarom zaak om heel stil te lopen en niet hardop te roepen of praten. We mochten de kabouters niet laten schrikken met ons gestamp en gepraat.

We waren vast niet stil genoeg. Hoewel de een na de ander regelmatig een verdwijnend puntmutsje zag, was na een nadere inspectie niets of niemand meer te vinden. Jammer.

Er waren bomen, waar tussen de wortels holtes zichtbaar waren. Misschien een toegangspoort, een deur? We klopten aan, eerst voorzichtig, later wat harder, riepen ‘Hallo!’ of ‘Lieve kabouters!’, maar de kabouters lieten zich wijselijk niet zien. Er gingen geen poortjes of luikjes open, het bleef stil.

Toch bleef het sprookje levend, klaar om bij iedere nieuwe boswandeling, waar we grote en dikke bomen zagen, opnieuw geleefd te worden. Het was heerlijk om die momenten van gespannen afwachting, nieuwsgierigheid te ervaren, die momenten te beleven en te herbeleven. De gespannen gezichtjes, vol aandacht voor het natuurlijke en het bovennatuurlijke. Momenten om te koesteren en nooit te vergeten.

Het is jaren later. Op onze wandelingen wordt niet meer gespeurd naar elfjes of kabouters. Onze gesprekken gaan nu over heel andere thema’s. Maar als ik weer eens alleen door het bos loop of fiets, dan kijk ik bij de dikke bomen toch nog even goed om me heen, en speur langs de bodem, langs de dikke boomwortels.

Je kunt immers nooit weten.

Mijn eerste vakantiedag

Het is gisteravond laat geworden, héél laat. Op de eerste plaats kwam dat door mijn baas, die me op de dag vóór mijn vakantie nog snel de nodige haastklusjes in mijn maag splitste. De eindtijd van 18:00u was al vanaf het begin onmogelijk te halen en dus diende er overgewerkt te worden, ook met het oog op de functioneringsgesprekken die begin komend jaar moeten plaatsvinden én het feit dat er een reorganisatie in de lucht hangt.

Toen ik dan tegen middernacht eindelijk thuis was, zat mijn hoofd nog zo vol van cijfertjes, presentaties en verslagen dat ik, om enigszins tot rust te komen, eerst absoluut nog een afzakkertje nodig had. Of nog iets meer, want ook het begin van mijn vakantie diende gevierd te worden. Afijn, verdere details lijken me niet nodig.

Ik heb geen idee hoe laat ik uiteindelijk ging slapen, want de cijfertjes op mijn wekkerradio waren met een eigen feestje begonnen en dansten uitbundig in de display op en neer.

Na een onrustige coma-nacht word ik wakker van een onverwacht geluid: de deurbel. De wekkerradio-cijfertjes zijn inmiddels voldoende tot rust gekomen om te laten zien dat het half acht is. Kreunend trek ik de deken weer over me heen. Stelletje onverlaten, op dit tijdstip!

Wie het ook is, hardnekkig is die persoon wel, want er wordt nogmaals aangebeld, langer en nadrukkelijker. Nu wordt het muzikale belsignaal ook ondersteund door een heuse ritmesectie, waarbij mijn voordeur het moet ontgelden. Het zijn geluiden die zo op de vroege ochtend na een lange, zware nacht tot een kloppend resultaat leiden: koppijn. Geen gewone, maar knallende.

Om het een graadje erger te maken hoor ik ineens de voordeur opengaan. Ik schiet overeind. Iemand met een sleutel? De enige die de sleutel van mijn voordeur heeft is, voor eventuele noodgevallen, mijn buurvrouw. Juist. Ik heb het nog niet bedacht of ik hoor een luide stem onder de trap. ‘Joehoe, buurman!’

Het is tijd om antwoord te geven, want ik zie haar er toe in staat om anders het hele huis te doorzoeken en ik ben, laat ik het netjes zeggen, bepaald niet gekleed op bezoek. Snel worstel ik mezelf uit het bed, onderdruk opkomend onheil vanuit mijn maag, gris mijn badjas van het haakje (waarbij uiteraard het lusje afscheurt) en steek mijn hoofd buiten mijn slaapkamer.

‘Buurvrouw, wat is er?’

Er volgt een onverwacht korte waterval van woorden. Iets met ‘naar mijn werk’, ‘staking op school’, ‘ophalen’ en ‘vier uur’. Dan nog een ‘dank je wel’ en de voordeur valt weer dicht. Nou ja.

Ik wil al opgelucht ademhalen en weer in bed duiken, als ik onverwacht beneden nog wat geluiden hoor. Kinderstemmen, en dan de televisie. Als een bom valt de betekenis van de spraakwaterval van de buurvrouw binnen. Vaag valt me in op welke zender die televisie gisteravond stond en dus haast ik mij, in verband met de tere kinderzieltjes, naar beneden. Iets te snel, waardoor ik enkele treden mis en vervolgens met de deur in huis val. Net op tijd om de televisie op een veiliger kanaal te zetten. Drie paar kinderoogjes staren mij verontrust aan. Eén van de kinderen heeft de bijna lege fles whisky aan de mond, de tweede heeft zich over de restjes in het glas ontfermd en de derde staart met grote ogen naar een inderdaad opvallende DVD-hoes. Van schrik laat de tweede het glas vallen en het brekende glas laat een geschrokken huilbui ontstaan. Solidair als ze zijn, huilen er even later drie, waarvan één hoestend en proestend, omdat het slokje whisky de verkeerde afslag heeft genomen.

Vooral vriendelijk, lief en aardig blijven, houd ik mezelf voor, en dus tover ik mijn mooiste glimlach tevoorschijn. Van schrik stopt het huilen, zodat ik de kans krijg om het drietal op de bank te duwen.

‘Zitten!’ zeg ik met een vriendelijker bedoeling dan het klinkt. ‘En kijken!’

Snel smijt ik wat ongerechtigheden in de kast en sprint naar boven om me aan te kleden, voor de stoppelbaard heb ik even nog geen tijd.

Als ik weer beneden ben staat de jongste op van de bank. ‘Ik moest plassen!’ Inderdaad, u leest het goed: verleden tijd. De plek des onheils is nog duidelijk te zien. Met water en zeep is de bank weer snel gered, maar de dader blijft huilend en nadruppelend toekijken. Juist. Dat kind moet een ook schone broek. Gelukkig is er een tas met benodigdheden, de buurvrouw heeft overal aan gedacht. Een kwartiertje later is de rust min of meer wedergekeerd. Niet lang, want de oudste meldt zich: ‘Ik heb honger.’

Als ook dat probleem naar tevredenheid is opgelost (en mijn provisiekast behoorlijk geplunderd) komt de middelste: ‘Ik wil op de computer.’

Dat kunnen ze wel willen, maar ik niet. Bovendien, kinderspelletjes ontbreken ten ene male in mijn digitale wereld en ik wil geen plakkerige, vieze kindervingertjes op mijn schone toetsenbord. Om nog maar niet te spreken over de digitale rampen die kinderen kunnen aanrichten. Geen computer dus. Onvermijdelijk volgt dan: ‘Ik verveel me!’

Het vervolg is een tikspel, waarbij ik slechts met moeite hier en daar een vaas, fotolijstjes of andere ornamenten weet te redden.

Met een zucht kijk ik naar de klok. Vijf over negen, nog een eeuwigheid te gaan.

Dan valt mijn oog op de bench, waar in vroeger tijden de hond in heeft geslapen. Ik aarzel. Zal ik, of zal ik niet?

(c) 2019 Hans van Gemert

Dit verhaal is geschreven in het kader van de schrijfuitdaging op ‘Schrijvelarij (dec. 2019)’

De thuiszorgwinkel

Mevrouw Van den Bussel keek stuurs naar de vriendelijke dame van de thuiszorg, of hoe heet dat tegenwoordig, die met een stiftje bepaalde producten uit de catalogus markeerde en op een lijstje zette. Als je die dame hoorde praten moest het beslist een zegen zijn om oud en gebrekkig te worden. Dan kon je namelijk eindelijk van al die verschrikkelijk handige hulpmiddeltjes gebruik gaan maken. Zo’n hefboom om je bed uit te komen. Of zo’n draaischijf om van positie te veranderen om gemakkelijker op te kunnen staan. Zo’n karretje waar je achteraan moest lopen of zo’n alarmknopje dat je om je nek kon houden en, hoe diep kun je zinken, al die luiers en luierbroekjes. Nou, het kon dan misschien handig zijn, maar het liefst had ze al die rotzooi gewoon niet nodig.
Nou ja, de vergadering van hulpverleners had anders beslist.

Haar ogen dwaalden door het vertrek en bleven een ogenblikje hangen bij het portret van Martin, op het dressoirtje. Ach, ook al weer zo lang geleden. Met enige weemoed dacht ze terug aan de tijd toen ze nog jong en mooi was, toen ze nog weg kon rennen door de bergweides op die eindeloos lijkende vakanties, met Martin achter haar aan. Wat hadden ze gelachen toen ze samen in die hangmat probeerden om… nou ja, je weet wel. Het was geen succes gebleken, het jonge boompje waar de hangmat aan was vastgemaakt had geen weerstand kunnen bieden aan hun hevige activiteiten. Kinderen waren er toch gekomen, later. Hoe lang geleden inmiddels? Ze waren al zo lang het huis uit.

Terwijl ze zo nu en dan zonder te luisteren knikte naar de thuiszorgdame sopte ze haar koekje in de koffie. Ook al zoiets. Vroeger, toen ze haar eigen tanden nog had, waren koekjes, appeltjes en beschuitjes geen probleem geweest. Tegenwoordig verdroeg ze het kunstgebit maar zelden. Te los, te kriebelig, te knellend, te lastig.

‘Nou zullen we het zo maar doen?’

Met een schokje kwam ze bij deze woorden tot de werkelijkheid terug en een momentje staarde ze de thuiszorgdame onzeker en niet-begrijpend aan.

‘Die spulletjes, zullen we het zo maar doen? Dan mag u hier een handtekening zetten.’

O ja, die zogenaamde handige spulletjes. Met een zucht nam ze de balpen en zette haar bibberige handtekening onder het bestelformuliertje. Het leven kon spijkerhard zijn.