Het einde voorbij

Een kort verhaal over het einde, en wat wellicht voorbij dat einde is.

(Atelier.hansvangemert.nl)

(Afbeelding: Atelier.hansvangemert.nl)

Ik ben zo moe. Mijn ademhaling gaat zwaar en moeizaam, elke ademhaling kost me steeds meer kracht en energie. Elke inademing is een gevecht met mezelf, elke uitademing is een kreun, een verlossing die meteen gevolgd wordt door een nieuw gevecht. In en uit, het volgt elkaar steeds sneller op, het put me zo verschrikkelijk uit.
Ik ben zo moe. Het licht in de kamer is veel te fel.  Kunnen ze het niet wat dimmen? Ik ben te moe om te spreken, te moe om het te vragen. Ik wil een andere kant opkijken, maar het kost me zoveel moeite om mijn hoofd te bewegen.
Ik ben zo moe. De mensen om me heen praten tegen me, ze verwachten een antwoord. Is dat Trude? Ze buigt zich naar me toe en drukt een kus op mijn voorhoofd. Ik houd van je, Trude. Wij hoeven niets tegen elkaar te zeggen. Na een huwelijk van vijftig jaar is dat niet meer nodig. We voelen elkaar aan, woordloos maar vol gevoel. Ooit zal ik je missen en jij mij. Een gedachte die onverdraagbaar is.
Ik ben zo verschrikkelijk moe. De kinderen en kleinkinderen staan rond het bed. Ze lijken ergens op te wachten. Ze praten, tegen mij en tegen elkaar. Ik hoor het geluid, maar versta het niet meer. Teveel woorden door elkaar.
Ik ben te moe. Ik voel mijn hoofd terugzakken in de harde, witte lakens. Ik zou mijn ogen willen sluiten, even rusten, even slapen. Maar ik ben bang. Bang dat ze niet meer open willen, ik ben bang om het laatste draadje dat me verbindt met mijn geliefden om me heen kwijt te raken. O, Trude, kon ik je nog maar een keer vasthouden, gewoon vasthouden.  Ik wil hier weg, waarom gaan we samen niet rondrennen, dansen, blij en gelukkig?
De stemmen worden zachter, alsof iedereen nu afstand heeft genomen. Het geluid verandert ook van klank, het wordt hol. Zijn we in een tunnel? Wat gebeurt er met de kamer? Gelukkig, het licht is ineens niet meer zo fel en het lijkt of mijn ademhaling minder moeilijk gaat. Alleen Trude is nog bij me, ze drukt nog een kus op mijn voorhoofd. Ik ben moe, maar ook opgelucht. Misschien kan ik dan nu mijn ogen heel even sluiten, heel even rusten.
Het licht in de kamer wordt steeds zwakker en dooft. De stemmen verdwijnen en ook de aanraking van Trude verzwakt en verdwijnt. Ik voel het bed niet meer onder me, het is alsof ik zweef in het donker.  En dan wordt het donker ineens weer licht, er is een tunnel van licht waar ik doorheen zweef. Het licht omstraalt me, neemt me helemaal in zich op en laat nieuwe energie in me stromen. De rimpels op mijn huid verdwijnen, ik word omspoeld door een zalige rust en ontspanning, een gevoel dat ik eeuwig zou kunnen vasthouden.
Maar dat gebeurt niet. Er komt een eind aan de tijdloosheid waarin ik rondzweef.

De wereld verandert, het licht verdwijnt en maakt plaats voor complete duisternis.  Ik voel een behaaglijke warmte om me heen. Ik voel me klein, maar veilig en geborgen. Dan hoor ik weer geluiden. Is dat Trude? Of hoor ik de kinderen? De geluiden klinken zo gedempt, ik kan niets verstaan. O, Trude, ik wil je weer vasthouden, ik wil je kus op mijn voorhoofd voelen, ik wil je stem horen, je woorden. Laten we weggaan en weer jong en gelukkig zijn.

De stemmen komen en gaan, maar blijven steeds maar op een afstand. Het blijft duister om me heen, het heeft geen zin de ogen te openen of te sluiten, het maakt geen verschil. Mijn armen en benen bewegen, ik heb er nauwelijks controle over. Vreemd genoeg voel ik het bed niet meer onder me, er zijn geen lakens, geen dekens. En toch is het hier warm en behaaglijk. Wat hebben ze met mijn kleding gedaan? Het lijkt alsof ik naakt ben en rondzweef in een zee van warmte en geborgenheid.

Hoewel, zee. Naarmate de tijd verstrijkt wordt mijn ruimte kleiner. Waar ik eerst nog kon zweven  kom ik steeds meer klem te zitten. Ik voel wanden om me heen, beweeglijk en flexibel, maar ze begrenzen mijn bewegingsruimte.

Langzaam maar zeker is het niet prettig meer. Alles drukt tegen me aan. Ik moet hier weg, Trude, help me, neem me mee! De druk neemt toe. Ik wil mijn hoofd vasthouden, maar dat lukt niet. Er is druk, pijn op mijn hoofd en ik voel een stuwing die mijn lijf meeneemt naar een onbekende verte. Dan een laatste stevige duw en een fel licht schijnt onverwacht in mijn ogen. De warme geborgenheid maakt plaats voor kou. De laatste warmte spoelt over mijn onderlijf en nu is het onaangenaam koud en licht geworden. Ik hoor stemmen, vreemde handen reiken naar me en houden me vast. Ik kan er niets aan doen, van schrik en emotie begin ik te huilen met lange, hoge tonen. Wat klinkt dat vreemd! Ik stop, omdat ik schrik van het geluid, maar dan gaat het huilen weer verder. Twee handen pakken me vast en tillen me zomaar op alsof ik een veertje ben. Ze leggen me neer en als ik mijn ogen opendoe zie ik een vreemde vrouw, bekend en onbekend, die me liefhebbend en zorgzaam vasthoudt en kust. ‘Dag Maarten’, zegt ze. Maar ze vergist zich, dat is toch niet mijn naam!  O, Trude!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.