Mijn eerste vakantiedag

Het is gisteravond laat geworden, héél laat. Op de eerste plaats kwam dat door mijn baas, die me op de dag vóór mijn vakantie nog snel de nodige haastklusjes in mijn maag splitste. De eindtijd van 18:00u was al vanaf het begin onmogelijk te halen en dus diende er overgewerkt te worden, ook met het oog op de functioneringsgesprekken die begin komend jaar moeten plaatsvinden én het feit dat er een reorganisatie in de lucht hangt.

Toen ik dan tegen middernacht eindelijk thuis was, zat mijn hoofd nog zo vol van cijfertjes, presentaties en verslagen dat ik, om enigszins tot rust te komen, eerst absoluut nog een afzakkertje nodig had. Of nog iets meer, want ook het begin van mijn vakantie diende gevierd te worden. Afijn, verdere details lijken me niet nodig.

Ik heb geen idee hoe laat ik uiteindelijk ging slapen, want de cijfertjes op mijn wekkerradio waren met een eigen feestje begonnen en dansten uitbundig in de display op en neer.

Na een onrustige coma-nacht word ik wakker van een onverwacht geluid: de deurbel. De wekkerradio-cijfertjes zijn inmiddels voldoende tot rust gekomen om te laten zien dat het half acht is. Kreunend trek ik de deken weer over me heen. Stelletje onverlaten, op dit tijdstip!

Wie het ook is, hardnekkig is die persoon wel, want er wordt nogmaals aangebeld, langer en nadrukkelijker. Nu wordt het muzikale belsignaal ook ondersteund door een heuse ritmesectie, waarbij mijn voordeur het moet ontgelden. Het zijn geluiden die zo op de vroege ochtend na een lange, zware nacht tot een kloppend resultaat leiden: koppijn. Geen gewone, maar knallende.

Om het een graadje erger te maken hoor ik ineens de voordeur opengaan. Ik schiet overeind. Iemand met een sleutel? De enige die de sleutel van mijn voordeur heeft is, voor eventuele noodgevallen, mijn buurvrouw. Juist. Ik heb het nog niet bedacht of ik hoor een luide stem onder de trap. ‘Joehoe, buurman!’

Het is tijd om antwoord te geven, want ik zie haar er toe in staat om anders het hele huis te doorzoeken en ik ben, laat ik het netjes zeggen, bepaald niet gekleed op bezoek. Snel worstel ik mezelf uit het bed, onderdruk opkomend onheil vanuit mijn maag, gris mijn badjas van het haakje (waarbij uiteraard het lusje afscheurt) en steek mijn hoofd buiten mijn slaapkamer.

‘Buurvrouw, wat is er?’

Er volgt een onverwacht korte waterval van woorden. Iets met ‘naar mijn werk’, ‘staking op school’, ‘ophalen’ en ‘vier uur’. Dan nog een ‘dank je wel’ en de voordeur valt weer dicht. Nou ja.

Ik wil al opgelucht ademhalen en weer in bed duiken, als ik onverwacht beneden nog wat geluiden hoor. Kinderstemmen, en dan de televisie. Als een bom valt de betekenis van de spraakwaterval van de buurvrouw binnen. Vaag valt me in op welke zender die televisie gisteravond stond en dus haast ik mij, in verband met de tere kinderzieltjes, naar beneden. Iets te snel, waardoor ik enkele treden mis en vervolgens met de deur in huis val. Net op tijd om de televisie op een veiliger kanaal te zetten. Drie paar kinderoogjes staren mij verontrust aan. Eén van de kinderen heeft de bijna lege fles whisky aan de mond, de tweede heeft zich over de restjes in het glas ontfermd en de derde staart met grote ogen naar een inderdaad opvallende DVD-hoes. Van schrik laat de tweede het glas vallen en het brekende glas laat een geschrokken huilbui ontstaan. Solidair als ze zijn, huilen er even later drie, waarvan één hoestend en proestend, omdat het slokje whisky de verkeerde afslag heeft genomen.

Vooral vriendelijk, lief en aardig blijven, houd ik mezelf voor, en dus tover ik mijn mooiste glimlach tevoorschijn. Van schrik stopt het huilen, zodat ik de kans krijg om het drietal op de bank te duwen.

‘Zitten!’ zeg ik met een vriendelijker bedoeling dan het klinkt. ‘En kijken!’

Snel smijt ik wat ongerechtigheden in de kast en sprint naar boven om me aan te kleden, voor de stoppelbaard heb ik even nog geen tijd.

Als ik weer beneden ben staat de jongste op van de bank. ‘Ik moest plassen!’ Inderdaad, u leest het goed: verleden tijd. De plek des onheils is nog duidelijk te zien. Met water en zeep is de bank weer snel gered, maar de dader blijft huilend en nadruppelend toekijken. Juist. Dat kind moet een ook schone broek. Gelukkig is er een tas met benodigdheden, de buurvrouw heeft overal aan gedacht. Een kwartiertje later is de rust min of meer wedergekeerd. Niet lang, want de oudste meldt zich: ‘Ik heb honger.’

Als ook dat probleem naar tevredenheid is opgelost (en mijn provisiekast behoorlijk geplunderd) komt de middelste: ‘Ik wil op de computer.’

Dat kunnen ze wel willen, maar ik niet. Bovendien, kinderspelletjes ontbreken ten ene male in mijn digitale wereld en ik wil geen plakkerige, vieze kindervingertjes op mijn schone toetsenbord. Om nog maar niet te spreken over de digitale rampen die kinderen kunnen aanrichten. Geen computer dus. Onvermijdelijk volgt dan: ‘Ik verveel me!’

Het vervolg is een tikspel, waarbij ik slechts met moeite hier en daar een vaas, fotolijstjes of andere ornamenten weet te redden.

Met een zucht kijk ik naar de klok. Vijf over negen, nog een eeuwigheid te gaan.

Dan valt mijn oog op de bench, waar in vroeger tijden de hond in heeft geslapen. Ik aarzel. Zal ik, of zal ik niet?

(c) 2019 Hans van Gemert

Dit verhaal is geschreven in het kader van de schrijfuitdaging op ‘Schrijvelarij (dec. 2019)’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *