Categoriearchief: Geen categorie

Op zoek naar kabouters

Het bos is vol met bomen, struiken en groen. Zonlicht speelt tussen de takken een schaduwspelletje. Het is hier stil. Het verkeerslawaai is ver naar de achtergrond, zodat vogels en soms ook insecten zich kunnen laten horen.

Het bos zit vol met spanning, geheimzinnigheid en raadsels. Levende sprookjes verschuilen zich overal achter stammen, tussen blaadjes, in een greppel en achter een of ander heuveltje. Zijn we hier alleen, of worden we door goedmoedige en waakzame oogjes in de gaten gehouden? Wie weet bieden paddenstoelen of dikke eikenbomen toegangswegen tot de ongeziene werelden vol trollen, elfjes en kaboutertjes. Wie zal het zeggen.

Toen onze kinderen nog klein waren, gingen we vaak wandelen in het bos. Tijdens deze wandelingen waren we altijd bedacht op een onverwachte ontmoeting. Met een kabouter, wel te verstaan. Ze konden overal verstopt zitten, door ons verrast in hun bezigheden. Het was daarom zaak om heel stil te lopen en niet hardop te roepen of praten. We mochten de kabouters niet laten schrikken met ons gestamp en gepraat.

We waren vast niet stil genoeg. Hoewel de een na de ander regelmatig een verdwijnend puntmutsje zag, was na een nadere inspectie niets of niemand meer te vinden. Jammer.

Er waren bomen, waar tussen de wortels holtes zichtbaar waren. Misschien een toegangspoort, een deur? We klopten aan, eerst voorzichtig, later wat harder, riepen ‘Hallo!’ of ‘Lieve kabouters!’, maar de kabouters lieten zich wijselijk niet zien. Er gingen geen poortjes of luikjes open, het bleef stil.

Toch bleef het sprookje levend, klaar om bij iedere nieuwe boswandeling, waar we grote en dikke bomen zagen, opnieuw geleefd te worden. Het was heerlijk om die momenten van gespannen afwachting, nieuwsgierigheid te ervaren, die momenten te beleven en te herbeleven. De gespannen gezichtjes, vol aandacht voor het natuurlijke en het bovennatuurlijke. Momenten om te koesteren en nooit te vergeten.

Het is jaren later. Op onze wandelingen wordt niet meer gespeurd naar elfjes of kabouters. Onze gesprekken gaan nu over heel andere thema’s. Maar als ik weer eens alleen door het bos loop of fiets, dan kijk ik bij de dikke bomen toch nog even goed om me heen, en speur langs de bodem, langs de dikke boomwortels.

Je kunt immers nooit weten.

Mijn eerste vakantiedag

Het is gisteravond laat geworden, héél laat. Op de eerste plaats kwam dat door mijn baas, die me op de dag vóór mijn vakantie nog snel de nodige haastklusjes in mijn maag splitste. De eindtijd van 18:00u was al vanaf het begin onmogelijk te halen en dus diende er overgewerkt te worden, ook met het oog op de functioneringsgesprekken die begin komend jaar moeten plaatsvinden én het feit dat er een reorganisatie in de lucht hangt.

Toen ik dan tegen middernacht eindelijk thuis was, zat mijn hoofd nog zo vol van cijfertjes, presentaties en verslagen dat ik, om enigszins tot rust te komen, eerst absoluut nog een afzakkertje nodig had. Of nog iets meer, want ook het begin van mijn vakantie diende gevierd te worden. Afijn, verdere details lijken me niet nodig.

Ik heb geen idee hoe laat ik uiteindelijk ging slapen, want de cijfertjes op mijn wekkerradio waren met een eigen feestje begonnen en dansten uitbundig in de display op en neer.

Na een onrustige coma-nacht word ik wakker van een onverwacht geluid: de deurbel. De wekkerradio-cijfertjes zijn inmiddels voldoende tot rust gekomen om te laten zien dat het half acht is. Kreunend trek ik de deken weer over me heen. Stelletje onverlaten, op dit tijdstip!

Wie het ook is, hardnekkig is die persoon wel, want er wordt nogmaals aangebeld, langer en nadrukkelijker. Nu wordt het muzikale belsignaal ook ondersteund door een heuse ritmesectie, waarbij mijn voordeur het moet ontgelden. Het zijn geluiden die zo op de vroege ochtend na een lange, zware nacht tot een kloppend resultaat leiden: koppijn. Geen gewone, maar knallende.

Om het een graadje erger te maken hoor ik ineens de voordeur opengaan. Ik schiet overeind. Iemand met een sleutel? De enige die de sleutel van mijn voordeur heeft is, voor eventuele noodgevallen, mijn buurvrouw. Juist. Ik heb het nog niet bedacht of ik hoor een luide stem onder de trap. ‘Joehoe, buurman!’

Het is tijd om antwoord te geven, want ik zie haar er toe in staat om anders het hele huis te doorzoeken en ik ben, laat ik het netjes zeggen, bepaald niet gekleed op bezoek. Snel worstel ik mezelf uit het bed, onderdruk opkomend onheil vanuit mijn maag, gris mijn badjas van het haakje (waarbij uiteraard het lusje afscheurt) en steek mijn hoofd buiten mijn slaapkamer.

‘Buurvrouw, wat is er?’

Er volgt een onverwacht korte waterval van woorden. Iets met ‘naar mijn werk’, ‘staking op school’, ‘ophalen’ en ‘vier uur’. Dan nog een ‘dank je wel’ en de voordeur valt weer dicht. Nou ja.

Ik wil al opgelucht ademhalen en weer in bed duiken, als ik onverwacht beneden nog wat geluiden hoor. Kinderstemmen, en dan de televisie. Als een bom valt de betekenis van de spraakwaterval van de buurvrouw binnen. Vaag valt me in op welke zender die televisie gisteravond stond en dus haast ik mij, in verband met de tere kinderzieltjes, naar beneden. Iets te snel, waardoor ik enkele treden mis en vervolgens met de deur in huis val. Net op tijd om de televisie op een veiliger kanaal te zetten. Drie paar kinderoogjes staren mij verontrust aan. Eén van de kinderen heeft de bijna lege fles whisky aan de mond, de tweede heeft zich over de restjes in het glas ontfermd en de derde staart met grote ogen naar een inderdaad opvallende DVD-hoes. Van schrik laat de tweede het glas vallen en het brekende glas laat een geschrokken huilbui ontstaan. Solidair als ze zijn, huilen er even later drie, waarvan één hoestend en proestend, omdat het slokje whisky de verkeerde afslag heeft genomen.

Vooral vriendelijk, lief en aardig blijven, houd ik mezelf voor, en dus tover ik mijn mooiste glimlach tevoorschijn. Van schrik stopt het huilen, zodat ik de kans krijg om het drietal op de bank te duwen.

‘Zitten!’ zeg ik met een vriendelijker bedoeling dan het klinkt. ‘En kijken!’

Snel smijt ik wat ongerechtigheden in de kast en sprint naar boven om me aan te kleden, voor de stoppelbaard heb ik even nog geen tijd.

Als ik weer beneden ben staat de jongste op van de bank. ‘Ik moest plassen!’ Inderdaad, u leest het goed: verleden tijd. De plek des onheils is nog duidelijk te zien. Met water en zeep is de bank weer snel gered, maar de dader blijft huilend en nadruppelend toekijken. Juist. Dat kind moet een ook schone broek. Gelukkig is er een tas met benodigdheden, de buurvrouw heeft overal aan gedacht. Een kwartiertje later is de rust min of meer wedergekeerd. Niet lang, want de oudste meldt zich: ‘Ik heb honger.’

Als ook dat probleem naar tevredenheid is opgelost (en mijn provisiekast behoorlijk geplunderd) komt de middelste: ‘Ik wil op de computer.’

Dat kunnen ze wel willen, maar ik niet. Bovendien, kinderspelletjes ontbreken ten ene male in mijn digitale wereld en ik wil geen plakkerige, vieze kindervingertjes op mijn schone toetsenbord. Om nog maar niet te spreken over de digitale rampen die kinderen kunnen aanrichten. Geen computer dus. Onvermijdelijk volgt dan: ‘Ik verveel me!’

Het vervolg is een tikspel, waarbij ik slechts met moeite hier en daar een vaas, fotolijstjes of andere ornamenten weet te redden.

Met een zucht kijk ik naar de klok. Vijf over negen, nog een eeuwigheid te gaan.

Dan valt mijn oog op de bench, waar in vroeger tijden de hond in heeft geslapen. Ik aarzel. Zal ik, of zal ik niet?

(c) 2019 Hans van Gemert

Dit verhaal is geschreven in het kader van de schrijfuitdaging op ‘Schrijvelarij (dec. 2019)’

Van spruitjes tot rollatorwedstrijden

Bij binnenkomst in het huis komt de onvermijdelijke etensgeur me tegemoet. Het wordt vandaag vast iets met spruitjes en gehaktballen, voor de plantaardigen alhier eventueel een gebakken eitje, liefst met de eierdooier nog helemaal intact, anders vinden ze het natuurlijk weer niet te eten. Dan als toetje een bolletje hazelnootijs, meestal vol met harde stukjes noot en brokjes waterijs, om de aanval op het gemiddelde kunstgebit compleet te maken. Alternatief culinair, zullen we maar zeggen. Soms denk ik dat een geprakt paracetamoltabletje met suiker nog smakelijker is, dat lijkt me duidelijk genoeg, toch? Goed dat ik het meeste voedsel op vloeibare wijze nuttig. Voor zover ik die kans krijg, tenminste.

‘U bent helemaal nat, meneer van Dalen!

‘Echt waar, je meent het!’ Het komt er misschien een beetje bits uit, maar laten we eerlijk zijn, het is gewoon een stomme opmerking. Wat verwachten ze dan als net een stevige regenbui is losgebarsten? Soms twijfel ik meer aan het verstand van het personeel dan aan dat van de bewoners. En geloof me: dat wil wat zeggen!

‘Rustig aan, meneer van Dalen!’

Ik knik en zucht maar eens en houd verder maar wijselijk mijn mond dicht. Wat denken ze dan van me? Dat ik met mijn rollator door de gang ga racen of zo? Tegelijk moet ik daar een beetje om lachen, het voor- en nadeel voor een beelddenker, want ik zie het al helemaal voor me. Steeds twee bejaarden tegelijk van start, en maar zien wie het eerst de eindstreep behaalt. Uiteraard worden alle vloerkleedjes van tevoren opgerold en krijgt iedereen als echte motormuizen een stevige integraalhelm op zijn kop. We kunnen het per slot van rekening niet gebruiken als al te roekeloze deelnemers in hun enthousiasme geheel per ongeluk een heel ander soort eindstreep behalen.

Nog na grinnikend bereik ik mijn kamer en smijt nogal nonchalant de post op tafel. Het is toch niks bijzonders, de niet te vermijden reclame, een herinnering (zal die telefoonrekening wel weer zijn en die betaal ik niet, want ik heb de hele maand die telefoon niet aangeraakt) en steven rechtstreeks op de kast af. Hier staat, heel onschuldig, een flinke fles terrasreiniger. De verpleging heeft er verbaasd vragen over gesteld, maar het is toch niet onlogisch dat ik komende zomer op een schoon balkonnetje wil zitten? Gelukkig kijkt er niemand in, dus blijft mijn geheime voorraad oude klare voorlopig onopgemerkt. Ik vind eigenlijk dat ik na al die nattigheid buiten nu wel een borreltje verdiend heb, dus schenk ik wat in een theeglas (borrelglazen vallen natuurlijk te veel op). Mijn hand is minder vast dan vroeger en met spijt zie ik wat druppels op tafel vallen. Ik zou ze kunnen oplikken, maar zo wanhopig ben ik nou ook weer niet. Met een stukje keukenpapier weet ik alle sporen weer uit te wissen.

Met welbehagen zet ik het theeglas aan de mond. Trouwens, er is nog een voordeel van een dergelijk glas: er kan een hoop in.

(c) 2019 Hans van Gemert

Dit #verhaal past in de #schrijfuitdaging van Schrijvelarij (FB) van november 2019 (= een steekwoordenverhaal met: telefoonrekening, gehaktbal, keukenpapier, paracetamoltablet, eierdooier, hazelnoot, vloerkleed, muis, terrasreiniger, regenbui)

Het rode ei

Een blik op de ruiten en hetgeen zich daarachter afspeelt onthult een hoop nattigheid. Het nieuwsbericht was helaas ook erg duidelijk. De regenbuien die ons nu al dagen in een natte greep houden, zijn helaas voorlopig nog niet achter de rug. Dat is van de ene kant erg prettig, het terras achter mijn huis spoelt nu vanzelf schoon. Van de andere kant: dan had ik me de aanschaf van al die flessen met terrasreiniger wel kunnen besparen. Nou ja, die komen een andere keer dan wel aan de beurt. Het geeft me in ieder geval tijd om een vervelend en uitgesteld klusje op te pakken: het verwerken van de post van inmiddels enkele weken.

Voorzichtig en wat langzamer dan mijn gewoonte is, open ik de enveloppen die voor me op tafel liggen. Ik ben niet gewend om dit met links te doen, maar met rechts een wat pijnlijke muisarm (dat heb je ervan als je zoveel verhaaltjes zit te tikken) zit er even niets anders op.

Ordelijk als ik ben sorteer ik alles netjes uit. Zo hoort een telefoonrekening op het stapeltje van de rekeningen, en het foldertje met onmisbare aanbiedingen van de plaatselijke supermarkt (die ik overigens heel goed weet te negeren) op het stapeltje op de hoek van de tafel. Daar komen trouwens ook de lege enveloppen. Ik verheug me altijd op het moment dat ik, na al dat sorteren, dat hoekstapeltje in één vloeiende beweging van de tafel mag schuiven in de hongerige prullenbak die ongeduldig op het hazelnootkleurige vloerkleed staat te wachten. Meestal lukt dat zonder probleem, in een enkel geval moet ik me nog even bukken om enkele ontsnapte exemplaren op te rapen en handmatig te verwijderen. Dat is normaal gesproken geen probleem, al maakte ik, gehaktbal die ik ben, de vorige keer de pijnlijke vergissing om op het verkeerde moment en op de verkeerde plaats mijn hoofd weer naar boven te buigen. Eikenhouten tafels zijn massief en, kan ik je verzekeren, behoorlijk hard. Het is maar goed dat ik ook bij de drogist alle noodzakelijke inkopen al had gedaan, want een paracetamoltabletje wil er op zo’n moment wel in. Snel hield ik er ook nog een natgemaakt stukje keukenpapier tegenaan. Het koelt wel, maar verder hielp het niet zo veel. Later zag ik dat een flinke bult op mijn hoofd had, formaatje ei, zal ik maar zeggen. De huid was op die plek duidelijk beschadigd en er drupte wat van de inhoud van dat ei langs mijn hoofd. Voor alle duidelijkheid, de eierdooier van een dergelijk ei is niet geel, maar rood…

(c)2019 Hans van Gemert

Dit steekwoorden#verhaal past in de schrijfuitdaging van Schrijvelarij (FB, nov 2019), waarbij de volgende woordengebruikt moesten worden:

Regenbui, paracetamoltabletje, muis, vloerkleed , hazelnoot, gehaktbal, keukenpapier, eierdooier, terrasreiniger, telefoonrekening

De thuiszorgwinkel

Mevrouw Van den Bussel keek stuurs naar de vriendelijke dame van de thuiszorg, of hoe heet dat tegenwoordig, die met een stiftje bepaalde producten uit de catalogus markeerde en op een lijstje zette. Als je die dame hoorde praten moest het beslist een zegen zijn om oud en gebrekkig te worden. Dan kon je namelijk eindelijk van al die verschrikkelijk handige hulpmiddeltjes gebruik gaan maken. Zo’n hefboom om je bed uit te komen. Of zo’n draaischijf om van positie te veranderen om gemakkelijker op te kunnen staan. Zo’n karretje waar je achteraan moest lopen of zo’n alarmknopje dat je om je nek kon houden en, hoe diep kun je zinken, al die luiers en luierbroekjes. Nou, het kon dan misschien handig zijn, maar het liefst had ze al die rotzooi gewoon niet nodig. Nou ja, de vergadering van hulpverleners had anders beslist.

Haar ogen dwaalden door het vertrek en bleven een ogenblikje hangen bij het portret van Martin, op het dressoirtje. Ach, ook al weer zo lang geleden. Met enige weemoed dacht ze terug aan de tijd toen ze nog jong en mooi was, toen ze nog weg kon rennen door de bergweides op die eindeloos lijkende vakanties, met Martin achter haar aan. Wat hadden ze gelachen toen ze samen in die hangmat probeerden om… nou ja, je weet wel. Het was geen succes gebleken, het jonge boompje waar de hangmat aan was vastgemaakt had geen weerstand kunnen bieden aan hun hevige activiteiten. Kinderen waren er toch gekomen, later. Hoe lang geleden inmiddels? Ze waren al zo lang het huis uit.

Terwijl ze zo nu en dan zonder te luisteren knikte naar de thuiszorgdame sopte ze haar koekje in de koffie. Ook al zoiets. Vroeger, toen ze haar eigen tanden nog had, waren koekjes, appeltjes en beschuitjes geen probleem geweest. Tegenwoordig verdroeg ze het kunstgebit maar zelden. Te los, te kriebelig, te knellend, te lastig.

‘Nou zullen we het zo maar doen?’

Met een schokje kwam ze bij deze woorden tot de werkelijkheid terug en een momentje staarde ze de thuiszorgdame onzeker en niet-begrijpend aan.

‘Die spulletjes, zullen we het zo maar doen? Dan mag u hier een handtekening zetten.’

O ja, die zogenaamde handige spulletjes. Met een zucht nam ze de balpen en zette haar bibberige handtekening onder het bestelformuliertje. Het leven kon spijkerhard zijn.

Maan

Maan

Stralend zilver

Tussen de sterren

Een baken van hoop

Schijnt een licht over liefde

Een beetje rust, een moment stilte

Ik laat het maanlicht over me stromen

Een vleugje inspiratie, papier en pen vol woorden

Ik hoor een melodie, ze is gevuld met manenstralen

Wandelen in het duister, het maanlicht wijst me de weg


(c)2018 Hans van Gemert

Stomme bal


Omringd door afgevallen bladeren ligt een rode bal in het midden van de vijver. Aan de oever staat een klein meisje met grote ogen en een beteuterde uitdrukking op het gezicht ernaar te kijken.

Elsje kan er niet bij, de vijver is te groot en de bal ligt te ver weg. Zou ze in het water stappen om de bal te halen? Ze heeft geen idee hoe diep de vijver is. Misschien te diep. Zwemmen kan ze niet en bovendien is het water zo laat in de herfst best wel koud. Ze heeft het geprobeerd. Eén stapje. Maar ze zette haar voetje snel terug toen ze het ijskoude water in haar schoen voelde lopen.

De bal ligt er nog steeds. Het lijkt wel alsof de bal plagend naar haar roept. ‘Lekker puh! Je kunt me toch niet pakken, je kunt me toch niet pakken!’
Verdrietig en boos roept ze terug: ‘Stómme bal!’  
De bal geeft geen antwoord, maar blijft onverstoorbaar in het midden van de vijver liggen.
‘Stómme bal!’, roept ze nog een keer en gooit een dennenappel die naast de vijver lag in de richting van de bal. Er klinkt een plons en er zijn kringen in het water te zien. De bal wiebelt een beetje op en neer. Elsje kijkt. Dat is apart, wiebelt die bal nou een stukje opzij? Misschien moest ze nog eens gooien.  Elsje kijkt om zich heen en ziet nog veel meer dennenappels liggen. Dat is mooi. Ze gooit er nog eentje. Ze hoort een tik en dan een plonsje. De dennenappel is tegen de bal geketst, waardoor deze inderdaad een stukje is opgeschoven. Maar niet ver. De bladeren op het water houden de bal tegen. Ze gooit nog eens, maar de bal blijft liggen. Vervelend.

Toch hebben de dennenappels haar op een idee gebracht. Ze kan iets naar de bal gooien. Misschien is een dennenappel gewoon te klein en moet ze iets groters proberen. Een steen. Of misschien een tak. Rond de vijver zijn geen stenen te vinden. Tenminste, geen losse. Stenen van het paadje liggen er wel, maar die liggen vast. Trouwens, dat zou oma ook vast niet goed vinden. Takken zijn er wel genoeg te vinden. Door de laatste storm ligt de tuin er vol mee. Je hebt kleine takken en grote. Korte en lange. Maar die lange kun je zo moeilijk gooien. Elsje sleept een paar korte takken naar de vijver. De takken zijn vies, haar handen nu ook, maar die kan ze gewoon aan haar jas afvegen. Ze gooit een van de takken. Dat valt niet mee, de tak is veel zwaarder dan een dennenappel, waardoor hij helemaal niet ver genoeg komt. Nee, dat werkt dus niet.

En een langere tak? Die is vast nog veel zwaarder. Elsje kijkt naar een lange tak op de grond. Dan kijkt ze weer naar de rode bal. Gooien gaat niet lukken. Maar misschien… Elsje krijgt een ander idee. Ze tilt de lange tak op. Lastig, want de zijtakjes blijven een beetje haken achter de struik. Ze trekt eens flink. De tak schiet los, met een bons valt ze achteruit, midden in het zand net naast de vijver. Ze valt gelukkig niet zo hard, dus ze staat op. Het zand was wel wat nat, maar daar let Elsje niet op. Met de lange tak prikt ze naar de bal. Ze kan er nét bij. Maar het lukt niet om de bal naar zich toe te halen, daar is de tak dan weer te kort voor.

Stomme tak en stomme bal! Ze wordt er moe én boos van en ze duwt de tak van zich af,  de vijver in. Het puntje van de tak duwt tegen de bal, die daardoor net over de opeengehoopte bladeren wordt getild. Langzaam maar zeker drijft de bal naar de kant aan de andere kant van de vijver.

Blij loopt Elsje om de vijver heen. Als ze zich uitstrekt moet ze er net bij kunnen. Héél voorzichtig,  om vooral niet in het water te vallen, reikt ze naar de bal. Ze kan er nét met de toppen van haar vingertjes bij. Bijna verliest ze haar evenwicht, maar het gelukkig weet ze de natte bal uit de vijver te vissen zónder er zelf in te vallen.

Met een triomfantelijk gevoel loopt Elsje met de bal naar het huis, waar mama gezellig met oma zit te praten.

‘Kijk eens mama, ik heb de bal!’

Mama kijkt naar het modderige meisje dat op de drempel staat. Héél blij kijkt mama niet …

(c)2017 Hans van Gemert

Spelletjes van vroeger

Peter zit voor het raam. Hij verveelt zich. Hij heeft al wel honderd keer op zijn horloge gekeken, maar de middag duurt nog wel heel lang. Mama heeft een idee. ‘Waarom bel je opa niet even?’

Dat is een goed idee. Opa kan altijd van die leuke verhalen vertellen. Peter pakt de telefoon en belt opa op. Natuurlijk vind opa het goed dat Peter komt.

Als hij bij opa binnenkomt doet hij snel zijn jas uit. Binnen is het warm. ‘Ja,’ zegt opa altijd, ‘oude mensen hebben het altijd koud’.
Nou, dat blijkt wel. Opa dit met een dik vest vlak bij de verwarming. Peter gaat zitten. Hij krijgt een lekker glas limonade met een koekje erbij. Opa heeft een kop koffie voor zich. Hij pakt een flesje koffiemelk en giet een scheutje melk in zijn koffie.

‘Opa’,  begint Peter, ‘vertel nog eens van vroeger, hoe jij speelde!’

Opa kijkt Peter over het randje van zijn bril aan. Dat ziet er een beetje streng uit, maar Peter weet dat opa dat helemaal niet zo meent.

‘Over vroeger?’ herhaalt opa, ‘Hoe wij speelden?’

Peter knikt.

‘Heel anders dan tegenwoordig,’ begint opa. Tegenwoordig zitten alle kinderen de hele dag binnen op hun televisie spelletjes te doen.’

‘Computer, opa, dat is een computer,’ onderbreekt Peter.

‘Ja, ja, dat weet ik natuurlijk wel. Waar was ik… O ja, hoe wij speelden.’

Opa neemt een slokje van zijn koffie.

‘Wij hadden niks,’ gaat hij verder, ‘we moesten ons speelgoed zelf maken.’ Hij neemt nog een slokje koffie.

‘Ik had eens een keer zin om met mijn broertje een zwaardgevecht te houden. Een zwaard hadden we natuurlijk niet, dus pakten we lange takken. Maar die waren weer niet zo sterk. In het gevecht sloeg je met een flinke tik zo’n zwaard gewoon doormidden, soms zelfs allebei tegelijk.’

Opa lacht een beetje voor zich uit en neemt nog maar een slokje.

‘Op een keer,’ lacht hij nu wat harder, ‘hadden we de breinaalden van mijn moeder gepakt. Dat waren nog eens zwaarden!  Met zo’n lekkere scherpe punt eraan. O, wat was mijn moeder boos. Ze braken wel niet, maar er kwamen allemaal bochtjes en deuken in. Wat hebben we op onze kop gehad zeg!’

Peter lacht. Opa die op z’n kop krijgt, dat is wel grappig.

‘Nou, dan gingen we maar naar buiten’,  gaat opa verder. ‘Omdat wij geen bal hadden moesten we er eerst zelf eentje maken.’

‘Zelf maken?’ onderbreekt Peter. Dát gelooft hij niet zomaar. Opa kan soms best gekke dingen zeggen.

‘Jazeker,’ gaat opa verder. We pakten dan een heleboel PTT-elastieken.’

Weer onderbreekt Peter. PTT-elastieken, wat zijn d’t nou weer.
Opa legt uit dat de PTT een oude naam is van de Post. En dat de postbode altijd een heleboel dikke elastieken had om de pakketjes post bij elkaar te houden. Als je geluk had, dan kon je soms van de postbode een heleboel van die elastieken krijgen.

‘Ja, en als je die elastieken over elkaar heen spande, dan kreeg je een harde en stevige bal. Een soort super-stuiterbal.’

Peter vind het wel grappig. Zelf een bal maken, dat moest hij toch ook maar eens proberen.

‘Maar op een keer,’ gaat opa verder, ‘stuiterde onze bal zo hard, dat hij tegen de ruiten van de buren tikte. Zat er ineens een flinke scheur in. In die ruiten dan!’

Peter wil weten wat opa toen deed.

Opa lacht een beetje beschaamd. ‘Wat denk je jongen,’ gaat hij verder. ‘Ik kon maar aan één ding denken. Heel hard weglopen!’