Alle berichten van Hansvg

Drama’s in de regen

Het weer was al dagenlang nat. Bijzonder nat, en stormachtig. De nieuwsberichten spraken onophoudelijk over ondergelopen kelders en wegen, en omgewaarde bomen. Bovendien zag het er niet naar uit dat het nog ooit op zou houden.

Nicole keek met grote angstogen naar de regen die onophoudelijk tegen de ruiten sloeg. De straat stond inmiddels ook hier blank, het riool had de niet aflatende stroom regenwater niet langer kunnen verwerken. Het grasveldje voor het huis ging steeds meer gebukt onder de stijgende waterlast. Hier en daar konden de grassprietjes nog maar nauwelijks hun topje boven het water getild krijgen.

Het was gewoon niet eerlijk van mama. Ze had bést nog eventjes naar buiten gekund. Zo erg was nat worden toch niet? Ze moest toch ook regelmatig onder de douche? Daar werd je toch óók nat van? Maar mama was onverbiddelijk geweest. Het mocht niet. Echt niet. En nu het steeds harder was gaan regenen en waaien moest ze mama wel een beetje gelijk geven. Er waren niet veel mensen op straat, héél soms zag je een dikke regenjas of regenpak voorbij komen lopen of fietsen. Nou ja, er zat vast ook iemand in, dat snapte Nicole ook wel. Het was eerst nog wel een beetje grappig geweest. Mensen die diep gebogen tegen de wind probeerden op te boksen. Of fietsers die met de handen aan de rem voorbij kwamen geflitst. Er waren steeds langere fonteinen van water geweest als ze door de plassen reden.

Een kwartiertje geleden was het ineens niet grappig meer. Ze zag hoe een meneer op de fiets door een windvlaag omver werd geblazen en op de straat viel. En hij stond niet op, hij bleef gewoon in het water op de straat liggen. Even had ze verbaasd gekeken. Toen had ze mama geroepen.

‘Mama! Er is een meneer gevallen en hij staat niet op!’

Mama was meteen gekomen. Na een korte blik door het raam was ze naar buiten gerend, zonder jas, gewoon op haar kousenvoeten. Er waren nog meer mensen naar buiten gekomen en ze hadden bij de gevallen meneer gestaan. Maar hij stond niet op, nog steeds niet. De buurvrouw had een paraplu gehaald om boven hem te houden. Bij de volgende windvlaag was die uit haar handen gerukt en Nicole had door het raam de paraplu heel lang nagekeken, tot hij als een klein stipje boven de bomen in de straat was verdwenen.

Toen was er een ziekenwagen gekomen, de kamer flitste blauw op van de zwaailichten en Nicole had haar handen voor haar oren gehouden tegen het harde geluid van de sirene. Er waren mannen uitgestapt en ze hadden de gevallen meneer op een bedje gelegd en toen in de wagen gedragen. Daarna waren ze weer weggereden. Mama was doornat en met een bleek gezicht binnengekomen.

‘Ik ga me even douchen en dan wat droogs aantrekken’,  en met die woorden had ze Nicole in de kamer achtergelaten. Buiten kletste de regen nog steeds in stromen neer. Op straat waren geen mensen meer te zien. Alleen die fiets. Iemand had hem tegen een boom gezet. Het gaf Nicole een akelig gevoel, die fiets, maar ze moest er toch de hele tijd naar kijken.

Eigenlijk was alles akelig. Die fiets. Die regen, die harde wind. Nicole wilde maar dat het op zou houden. Ze keek nog eens naar het verdrinkende gras in de voortuin. En wat daar lag. Eigenlijk stom van mama. Die was toch al nat, waarom had ze het nou niet meegenomen? Even twijfelde ze. Zou ze toch niet zelf heel eventjes? Mama was nou toch boven.

Ze stond op en ging naar de deur.

‘Wat ben jij van plan?’ Mama’s stem klonk een beetje boos.

Teleurgesteld en geschrokken schoot Nicole terug de kamer in.

Er zat niets anders op dan wachten. Die regen zou toch wel een kéér ophouden?

Maar het duurde de hele dag. ’s Avonds in bed hoorde ze nog steeds de wind en de regen en een beetje bedroefd viel ze in slaap.

De volgende ochtend was alles anders. De regen was opgehouden en er scheen een bleek zonnetje. Er waren nog wel plassen, maar er waren ook al drogere stukken op straat.

‘Mag het nou wel?’ vroeg ze aan Mama.

‘Ja hoor.’

Nicole stapte naar buiten. Gelukkig. Hij lag er nog. Op het gras lag haar lievelingsspeelgoed, een echte bus met allemaal vrolijke kleurtjes. Helemaal nat, maar ook helemaal schoongespoeld. Ze pakte de bus op en nam hem mee naar binnen. Eén ding was wel zeker. Ze zou nóóit meer vergeten het speelgoed op te ruimen!

Muzikaal intermezzo

Aan weerskanten van het grote plein in het stadscentrum van Berlijn staan twee kerkgebouwen tegenover elkaar, hoewel ze niet allebei meer als zodanig in gebruik zijn. Er tussenin staat aan de lange zijkant van het plein het prachtige en imposante Berlijnse concertgebouw. Prachtige gebouwen aan een groot en groots plein. Om het plein staan gebouwen uit verschillende stijlperiodes, die als belangrijke overeenkomsten de hoogte en de afmetingen hebben.

De aanwezigheid van een concertgebouw trekt allerlei straatartiesten aan, waar je wel eisen aan mag stellen. Zo staat er vandaag een violiste. Bescheiden, of goed doordacht, heeft ze een plekje aan de zijkant van het concertgebouw uitgezocht, precies bij een van de terrasjes, waar wij van een kop koffie genieten.

Zoals het een violiste naast een concertgebouw betaamt, stemt ze eerst zorgvuldig haar instrument. Dan speelt ze, overeenkomstig de verwachtingen die je hier mag hebben, met een mooie en heldere toon. Uit bescheidenheid houdt ze het volume binnen de gewaardeerde perken.

In haar eerste muziekstuk herken ik de melodie van de ‘Schönen blauwen Donau’. Berlijn is niet echt de stad van Strauss, maar een kniesoor die op dat soort trivialiteiten let. Ze heeft een voorzichtig tempo uitgezocht, dat niet al te veel van haar vingervlugheid vraagt. Dat geeft de vrolijke klanken meteen iets triestigs. Een beetje jammer.

Ze is zo gaan staan dat ik haar vanaf het terras schuin van achteren zie. Een gemiste kans, als ze het publiek op het terras met haar muziek had willen aansporen iets in het bakje te doen, dat voor haar op de grond staat. Ze heeft haar hoop blijkbaar gevestigd op voorbijgangers.

Tot mijn verbazing heeft ze al na een paar maten succes. Een man, vrouw en kind komen voorbij en deponeren iets in het bakje. Daarmee is het de komende minuten dan wel afgelopen.

Na de Blauwe Donau speelt ze, in ongeveer hetzelfde tempo, een andere melodie om daarna opnieuw de Blauwe Donau te eren. Hm. Nogal beperkt en risicoloos repertoire dus.

We verlaten het terras en bekijken nog een keer het plein en de imposante gebouwen die erop of erlangs staan en vergapen ons voor de etalage van een beroemde chocolaterie. Prachtig, al die kunstwerken in chocolade. Als we na een minuut of tien weer in de buurt komen van het concertgebouw stroomt de Blauwe Donau nog steeds heel kalmpjes voorbij.

de kunstenaar

Vanuit mijn hotelkamer heb ik goed uitzicht op de straat. Het uitzicht vanaf de eerste verdieping op de gebeurtenissen beneden is dan ook prima. Een wat schichtige man met een zwart jasje en een donker gebruinde huid loopt voorbij en stopt voor het pand naast het hotel. Van onder zijn jasje haalt hij een blauw stuk doek of zoiets tevoorschijn, dat hij aan de zijkant van het voetpad opgevouwen op de grond legt. Merkwaardig. Geboeid kijk ik toe om vooral niets te missen van wat er nu gaat gebeuren. Dan bukt de man zich naar de grond en gaat met zijn knieën op de blauwe doek zitten. Zijn handen heft hij op.

Verbaasd volg ik de handen. Zit hij nu midden op de stoep te bidden? Dan zie ik dat de handen niet gevouwen zijn, maar geopend. Hij houdt ze tegen elkaar als een kommetje voor zich uit. De handen zijn niet leeg. Opdat de voorbijgangers toch vooral niets van zijn bedoeling zullen missen, heeft hij iets belangrijks in zijn handen gelegd. Ik ziet enkele munten liggen, aan de grootte te zien zijn het munten van één of twee euro. Deemoedig buigt hij het hoofd, houdt zijn handen voor zich uit en wacht op de dingen die komen gaan.

Er komen mensen uit het pand waar hij voor is gaan zitten. Ze hebben gevulde boodschappentassen in de hand. De man heeft precies voor de uitgang van een supermarkt postgevat. Niet zonder succes. Zo nu en dan worden er muntjes in zijn handen gelegd. Als de gevers zijn doorgelopen zie ik hoe de man zijn buit bekijkt. Opdat niemand zijn rijkdom zal zien, of zal denken dat hij al veel heeft gekregen, worden de gekregen muntjes met zorg in zijn broekzak gestopt. En dan gaan de handen weer naar voren.

Een drie kwartiertjes later zijn we voldaan weer terug van ons ontbijt en nieuwsgierig kijk ik uit het raam. De man zit er nog steeds, en nog steeds in dezelfde houding.

Ook het tafereel en de gebeurtenissen zijn hetzelfde. Een gekregen muntje wordt snel na de gift bekeken en weggestopt, waarop de handen weer naar voren gaan.

We besluiten om erop uit te gaan en allerlei bezienswaardigheden van de stad dichtbij te gaan bekijken.  Als we later in de middag terugkomen, zit de man er nog steeds, in dezelfde houding. Oefening baart kunst. De man is op zijn terrein een expert, een held, een kunstenaar.

Een vurige sollicitatie

Ik heb mijn doel bereikt, ik sta hier voor de grote fabriek, mijn bestemming van vandaag. Op het programma staat een nieuw sollicitatiegesprek, toch altijd een bijzonder moment, en een een beetje spannend is het ook wel.

Het hek van de fabriek is geheel in stijl. Met wat fantasie kun je in de dunne verticale spijlen, waarop een ronde kop zit, lucifers herkennen. En wat kun je anders verwachten bij een luciferfabriek?

De poort staat open en ik loop naar de grote voordeur. Binnen hangt een soort wandkleed, waarop in reliëf een voorstelling van de fabriek te zien is. Tot mijn verbazing zie ik dat het wandkleed geheel van lucifers is gemaakt. Een vriendelijke juffrouw wijst me naar de wachtruimte, waar ik straks zal worden opgehaald.

De wachtruimte is leeg, tenminste, er zitten geen mensen. Er staan natuurlijk wel stoelen, er is een tafel met wat tijdschriften. Er ligt er eentje open met een grote reclame voor een of andere tandpasta. Het wakkert mijn eigen onzekerheid een beetje aan. Zat er niet een hoop knoflook in die tzatziki-yoghurt die ik tijdens mijn treinreis hiernaartoe op had?

De deur gaat open. Een vriendelijk heer stelt zich voor als ‘Schaar, Karel Schaar. Fijn dat u op zo’n korte termijn naar dit sollicitatiegesprek kon komen. Zal ik u voorgaan?’

Natuurlijk, dat mag.

Hij leidt me door de gangen en vertelt ondertussen honderduit over de fabriek.

‘Weet u,’ vertrouwt hij me toe, ‘nu er steeds minder mensen roken en we geduchte concurrentie ondervinden van de aansteker, leggen we ons toe op innovatie. Vernieuwing, weet u wel.’

Ik knik. Innovatie, dat begrijp ik wel. Maar hoe doe je dat nou met een simpel product als een lucifer?

‘Ik ben blij dat u dat vraagt. Heeft u opgelet bij binnenkomst?’

‘Zeker,  het wandkleed …’

‘Juist, juist. Dat is een voorbeeld. Kijkt u eens hier.’ Met deze woorden leidt hij mij naar een grote vitrinekast. ‘Hier ziet u voorbeelden van ons nieuwe productprogramma.’

En inderdaad. Hier is van alles te zien. Een stukje van het wandkleed dat bij de voordeur hing. Een stukje hekwerk, maar dan in miniatuur.

‘En daar, ziet u wel: de nieuwe tandenstokers!’

Ik zie ze.

‘Lucifers kun je bovendien uiterst dun en lang maken. Zie u dat tafelkleedje daar? Dat is geheel gebreid van luciferdraden.’

Ik laat een bewonderend geluidje horen.

‘En wat dacht u van de luciferborstel, de luciferbezem en daar ons pronkstuk.’

Ik volg de richting die hij aanwijst. Een grote doos, met een afbeelding van een molen.

‘Ons nieuwste bouwpakket. Vanaf volgende week komen al deze producten in de winkel te liggen.’

Het is verbazend, wat kan ik anders zeggen?

Dan houdt hij de deur van een kantoortje open. Op de vloer ligt een mat, geheel gemaakt van rechtopstaande lucifers. Zorgvuldig en fanatiek veeg ik, ik ben immers goed opgevoed, mijn voeten. De lucifers reageren, de rookmelder en de sprinklerinstallatie ook.

Ik ben niet aangenomen.

dreigend water

Wilma zat op de bank en keek verontrust naar buiten. Het regende nu al dagen. Dat was op zichzelf niet zoveel bijzonders, dat kwam wel vaker voor. Maar de combinatie van al die regen met smeltwater dat in deze tijd van het jaar door de grote rivieren naar de lage landen werd aangevoerd én de overmatige regenval stroomopwaarts zorgden voor ongekend hoge waterstanden. De weersvoorspellingen voor de komende dagen beloofden niet veel goeds. Er zou nog veel water naar beneden komen, nog heel veel.

Natuurlijk werden de dijken regelmatig onderhouden en gecontroleerd, maar niemand kon voorspellen wat er zou gebeuren als de waterdruk van rivieren en kanalen zo lang zó groot zou zijn. De mannen van de dijkbewaking maakten overuren om alles te controleren. Haar Jacco was één van hen. Gisteravond laat was hij bleek van vermoeidheid thuisgekomen en vanmorgen al weer vroeg de deur uitgegaan. Ze had de blik in zijn ogen gezien, Wilma was er niet gerust op. Voor hém niet, en voor het stijgende water niet.

Zeker, het was de afgelopen dagen spectaculair geweest om het één na het andere waterrecord te zien sneuvelen, en de blauwe watermeter bij de brug langzaam te zien verdrinken. De brug was inmiddels verboden terrein, het water rukte te krachtig aan de pijlers. Schepen konden niet meer passeren en kwamen op de gedwongen aanlegpunten angstvallig hoog boven de dijk uit. Behalve Jacco en het water was ook die dijk constant in Wilma’s gedachten. Hoe kon het ook anders, zo’n honderd meter verderop torende de altijd aanwezige dijk metershoog boven het omringende land uit. Soms verbeeldde ze zich dat ze een golf water over de rand zag lopen en ze wist dat zich aan de onderzijde van de dijk inmiddels plassen van kwelwater hadden gevormd. Er waren zandzakken uitgedeeld, militairen en vrijwilligers werkten op volle krachten om ze gevuld te krijgen. Zij  hadden er ook een aantal, voor de tot mislukken gedoemde pogingen het water buiten de deur te houden, mocht de dijk toch zwakker blijken dan verwacht en gehoopt. Op een ander moment zou het bijna grappig zijn geweest. Nu niet, al lang niet meer. Wat konden zandzakken nog betekenen als er drie meter water op hen af zou komen? Niets. Het huis zou sowieso overspoeld worden. Het was zelfs niet te zeggen of het huis zelf het watergeweld zou overleven, en dat gold dan ook voor alle spulletjes die ze de afgelopen dagen naar de bovenverdieping hadden gesleept.

De harde wind floot om het huis en alhoewel de verwarming binnenshuis voor behaaglijke temperaturen zorgde kon Wilma een huivering niet onderdrukken. Op de dijk zag ze minuscule figuurtjes moeizaam in de wind lopen. Gebukt, voorzichtig en met een niet aflatende ijver. Zag ze nu meer haast dan zo-even? Ze was er niet zeker van. Ze probeerde in de gestaltes Jacco te herkennen, maar de felgele regenpakken verborgen alle individualiteit. Het was trouwens niet eens zeker dat hij deze ochtend precies het dijkstuk voor hun huis zou moeten controleren, de mannen hadden voor een veel groter traject zorg te dragen.

In de gang had ze een paar koffertjes klaargezet, met alle noodzakelijkheden voor een paar dagen. Voor het geval dát. Zoiets hoorde tegenwoordig bij de routine. Je moest altijd voorbereid zijn als het water steeg. Het was één keer ook echt tot een evacuatie gekomen, alweer jaren geleden. De kosten en de onrust waren enorm geweest, het gevoel van anticlimax ook, toen bleek dat alle dijken het zonder problemen gehouden hadden. En dus lag de gevarenlat nu hoger. Veel hoger.

Sommige bewoners hadden opblaasbootjes in gereedheid in hun garages, de wind maakte het geen optie om ze buiten te leggen. Volgens Jacco had zo’n ding weinig zin, mocht de dijk ooit echt doorbreken dan zou het water veel te snel stromen om zo’n bootje recht te houden. Bovendien, scherpe voorwerpen en boomtakken zouden de betrekkelijke veiligheid van een opblaasboot binnen de kortste keren aan flarden scheuren. Maar toch begreep Wilma die bootjes. Vastklampen aan hoop was beter dan angstig wachten op het onvermijdelijke. Al hoopte ze van ganser harte dat het onvermijdelijke toch vermeden kon worden.

Er reed een wagen stapvoets voorbij. Een dringende stem schalde uit de luidsprekers, maar de harde wind en de striemende regen maakten de woorden onverstaanbaar. Wilma’s onrust nam met sprongen toe en als vanzelf stond ze op en trok ze haastig haar regenpak en laarzen aan. Uit de koelkast haalde ze de tas met de voedselpakketten en wachtte bij de koffertjes op de dingen die komen zouden.

Ze hoefde niet lang te wachten. De voordeur werd opengesmeten, een druipnatte en hijgende Jacco stond op de drempel.

Zijn stem was dwingend en het spoortje angst erin onmiskenbaar. ‘Snel! We moeten snel zijn!’ 

Hij nam haar bij de hand en samen vochten ze zich door de wind naar de bonte verzameling gevorderde bussen en vrachtwagens, die een eindje verderop stonden te wachten.

nog eventjes afwachten

Het is avond, buiten is het koud en donker. Het is goed te horen hoe een felle regenbui tegen het venster geselt. Geen punt, voorlopig zit ik nog even droog. Door mijn wimpers tuurde ik de kamer rond, of beter gezegd, naar de stoel waar ze zojuist met die irritante grijns op haar gezicht in is gaan zitten. Van een effect is vooralsnog niets te merken, nog maar eventjes afwachten. Geduld is een schone zaak.

Het is allemaal begonnen met die ruzie over die telefoonrekening. Of, in zekere zin, was dat natuurlijk het einde. Aan goede dingen komt nu eenmaal ook ooit een einde, toch? Als je eenmaal tot dat besluit bent gekomen, dan is het zaak een goede methode te kiezen. Niks met bloed of zo, dat geeft teveel rommel en bovendien is dat met de huidige middelen veel te goed traceerbaar. De tijd dat je dat met doekjes of een paar velletjes keukenpapier weggeveegd krijgt ligt wel achter ons.

Haar hart blijkt in ieder geval minder zwak dan ze constant tegen iedereen loopt te zeuren. Zo had ik gisteren met een handigheidje de stroom uitgeschakeld. Het was zo donker dat ze geen hand voor haar ogen zag. Op de tast zocht ze naar het lichtknopje en toen ze het licht weer aan had gekregen zag ze het vijftal muizen rondrennen die ik vlak daarvoor had losgelaten. De gil was nauwelijks hoorbaar, en de schok heeft helaas niet het beoogde effect gehad. 

Omdat ze regelmatig ‘s avonds plotseling ‘hoofdpijn’ heeft is er altijd een ruime voorraad van die paracetamoltabletjes in huis. Ik vroeg me af of je daar ook een overdosis van kunt binnenkrijgen én hoe ik die dan zou moeten toedienen. Verstoppen in gehaktballen of andere voedingswaren? Ik weet het niet, ik ben bang dat de smaak van die rotdingen toch teveel zou opvallen.

Ik heb ook aan salmonella gedacht. Het enige dat je daarvoor nodig schijnt te hebben zijn eieren die uitgebreid over de datum zijn. Helaas was, toen ik de verstopte exemplaren weer voor het grijpen had gelegd, de geur van de bedorven eierdooiers net iets te indringend en die eieren zijn dan ook linea recta naar de afvalbak gegaan.

De hoop die ik had gevestigd op de schaal hazelnoten (ze propt haar mond altijd zo heerlijk vol met die dingen) is helaas ook geheel misplaatst geweest: ze heeft zich geen enkele keer verslikt.

Er blijft dus eigenlijk maar één middel over. Beetje bij beetje, om haar langzaam te laten wennen aan de smaak en de geur, heb ik de uiterst giftige terrasreiniger door haar citroenjenever gemixt. En daarom zit ik nu hier op mijn stoel en gluur tussen mijn wimpers door. Langzamerhand moet dat middeltje toch eens eindelijk effect hebben.

Ik neem nog maar een slokje van het borreltje dat zij mij zojuist heeft aangereikt, waarom zou ik niet (zolang het nog kan) van haar diensten gebruik maken? Het zal de spanning van het moment zijn dat het me ineens wat minder smaakt, het is bitterder dan ik me herinner. Terwijl ik langzaam uit de stoel glijd vraag ik me nog net af waarom ik helemaal niet voel dat ik op het vloerkleedje terecht kom.

de droom van de schilder

Het was al laat op een stormachtige avond. De kaarsen in het schildersatelier aan de Nieuwe Doelenstraat in Amsterdam flakkerden door de tochtige luchtstromen die via de vele kieren vrij spel hadden. De schilder huiverde even, legde zijn kwast neer en masseerde zijn vingers.

De tussendeur ging open. Een bevallige jonge dame in nachtgewaad stond in de deuropening. ‘Kom je nog? Het is koud in bed.’

De schilder glimlachte. ‘Ik zou je graag verwarmen, mijn schat. Maar dit moet echt af.’ Hij wees naar het schilderij dat op de ezel stond.

De vrouw kwam het atelier in, zorgvuldig elke aanraking met de verf en de tafels vermijdend. Voorzichtig nam ze het hoofd van de schilder in haar handen en drukte een kus op het voorhoofd, toen op de mond.

‘Ik houd van je, mijn lief’, fluisterde ze en ze draaide zich om.

‘Ik ook van jou, Sas’ klonk zijn antwoord.

De deur viel dicht en zuchtend nam de schilder de kwast weer op. Schilderen was zijn lust en zijn leven. O, als hij toch eens een succesvol schilder zou zijn, met veel geld. Dan kocht hij een eigen huis waar hij met zijn vrouw Saskia kon wonen. Niet dat hij het slecht had in het huis van Willem Boreel, echt niet. Maar een eigen huis, en een eigen atelier, dat zou toch geweldig zijn. Voorzichtig doopte hij de punt van zijn kwast in de verf en bracht een dunne streek op het werk aan. 

Hoewel er vele kaarsen brandden maakten de flakkerende vlammetjes het zicht op het werk wel lastiger. En hij was vermoeid, meer nog dan hij zichzelf wilde toegeven.

Toen kwam zijn laatste gedachte nog eens bij hem op. Een succesvol schilder. Een lachje kwam op zijn lippen. Een grote naam zijn, misschien wel schilderijen aan het hof van de prins. Of, en nu werd de glimlach breder, zouden zijn schilderijen in de toekomst in speciale huizen worden tentoongesteld. En uit alle delen van de wereld zouden mensen naar zijn werk komen kijken. De gedachte amuseerde hem zo, dat hij in lachen uitbarstte. En toen pakte Rembrandt zijn kwast weer op. Een paar streken nog, en dan zou hij te bed gaan. Saskia zou vast nog niet slapen.

Het beste uitzicht

Sommige mensen vinden mij maar een rare kwast, zelf vind ik dat wel meevallen. Ik ben gewoon iemand met een ruime belangstelling voor mensen, vooral voor mooie vrouwen. Die mag ik graag zien, daar ben ik toch vast niet de enige mee, dacht ik zo.

Op mijn balkonnetje heb ik een ideaal uitkijkhoekje gecreëerd. Een gemakkelijke stoel, een tuintafeltje en een serie plantenbakken voor de nodige plantaardige verhulling. Vanuit mijn uitkijkpositie achter de geraniums kan ik, terwijl ik van mijn koffie (met aardbeientaart) geniet, een groot deel van de straat overzien. Normaal gesproken is het een gaan en komen van mensen en voertuigen. Het is een bron van een hoop vermaak, je moet toch wát met je tijd. Maar voor de details zijn mijn ogen niet meer wat ze geweest zijn. Ik moet daarom de blik wat verruimen en verdiepen om mijn dagelijkse portie nieuwtjes, wetenswaardigheden en mooie uitzichten te verzamelen. Het maakt dat ik, al dan niet intelligent, over van alles kan meepraten. Mijn verrekijker biedt die verruimde blik wel, maar sinds die knappe roodharige jongedame in de straat is komen wonen heb ik behoefte aan enige versterking. Waar zouden we zijn zonder de bestelmogelijkheden van het internet, je hoeft bij de aankoop zelfs je betaalpas niet uit je broekzak te halen, en vandaag is mijn nieuwe telescoop bezorgd. Een mooi dingetje, dat een uitstekend vergroot beeld oplevert. Precies wat ik nodig heb om ook de dieper gelegen delen van de woonkamers (en zo) te doorgronden.

Om de telescoop niet steeds opnieuw te moeten richten, heb ik hem met wat elastieken gefixeerd.

Dat gaat overigens nog niet helemaal perfect, een lichte tik tegen het tafeltje kan het beeld een klein beetje laten verspringen. Een kwestie van enige behoedzaamheid dus.

Ze is inmiddels thuis, dus voorzichtig neem ik plaats achter het oculair en kijk.

Als ik heb scherpgesteld zie ik haar staan, voor het raam in haar kamer. Ze kijkt. En zwaait.

avondrust

Zitten

in de kamer

Beelden

flitsen van de muur

Klanken

Golven uit de speakers

Het drankje

wentelt in het glas

De wijzers

draaien nog wat rondjes

naar het einde van de dag

Dan wil ik nog een dekentje

en wat kussen, als dat mag

De richtingaanwijzer

Waarom lijkt de richtingaanwijzer van dure auto’s als BMW, Audi en Mercedes het zo vaak niet te doen?
Een belangwekkende vraag en het is waard hier nader onderzoek naar te doen. De schokkende waarheid …

De heer Cornelissen zat, toch enigszins nerveus, aan de tafel in de showroom. De verkoper had hem juist de papieren voorgelegd die hij diende te ondertekenen om zich eigenaar te mogen noemen van een nagelnieuwe Audi Q7. Toch een hele stap, waarbij hij tevens van een belangrijk deel van zijn spaargeld zou worden afgeholpen. Maar hij wilde dit al zo graag sinds hij een kleine jongen was, dus hij nam de pen en zette zwierig zijn handtekening.

‘Dank u wel meneer Cornelissen’, zei de verkoper onderdanig, ‘dan heb ik hier nog de aanvraag voor de rijles.’

Cornelissen keek verbaasd op. ‘Een rijles? Dat zal toch niet nodig zijn, ik heb al een rijbewijs.’

De verkoper lachte beschaafd. ‘Zeker meneer Cornelissen, dat begrijp ik. Maar dit is toch uw eerste Audi?’

Cornelissen knikte bevestigend.

‘En u heeft ook nooit eerder bijvoorbeeld een Mercedes of BMW gehad?’

Cornelissen schudde verbaasd het hoofd. Wat had dát er nou mee te maken.

‘Ja ziet u,’ hernam de verkoper, ‘dan kunt u zich toch inschrijven voor de rijles. Niet iedereen doet het, het is volkomen optioneel hoor, maar de cursus helpt u aan de juiste houding in het verkeer. Het is alleen bedoeld voor autobezitters in de hoogste klassen. Bovendien, het is gratis.’

Verbazing overheerste nog steeds, maar als het gratis was, waarom dan niet. De handtekening werd gezet.

Een week later, op de dag dat de nieuw Audi Q7 rijklaar stond te wachten op de nieuwe eigenaar, voegde Cornelissen zich bij de overige cursisten van de dag. Tot zijn verrassing bleek het geen praktische les te zijn, maar een theoretische. Bovendien was het een gemêleerde groep, niet alleen Audi-bezitters waren komen opdagen, maar ook bezitters van Mercedessen of BMW’s. Een clandestiene Fiat-panda bezitter werd door de beveiliging snel en doeltreffend via de achterdeur weggewerkt.

In het klaslokaal stond de cursusleider, een jongeman in een strak pak en een snel voorkomen, voor de groep. Op het schoolbord stond met grote letters geschreven ‘Ik ben koning van de weg’.

‘Zo,’ begon de jongeman, ‘deze zin op het bord zeggen we om te beginnen tien keer hardop.’

De instructie werd braaf uitgevoerd.

‘Als bezitter van een Audi, Mercedes of BMW ben je de koning van de weg. Wat ben ik?’

De klas begreep: het zinnetje werd nogmaals luid gescandeerd.

‘En dat moeten we iedereen laten weten. Want:’ Het koortje viel keurig in.

‘Wij gaan altijd voor, want:’ En weer wist de klas hoe geantwoord diende te worden.

‘We willen respect en vrij baan. Want:’ Het was duidelijk welk antwoord er moest volgen.

‘Wij eisen respect!’ Het antwoord van de klas laat zich raden.

‘Snelheidsbeperkingen tellen niet! Inhaalverboden tellen niet! Richting aangeven is niet nodig!’ Na al deze zinnen herhaalde de klas de woorden ‘Ik ben koning van de weg’. Zo ging de hele les door. Alle belangrijke gedragsregels kwamen aan bod en werden door de cursisten met steeds hoger enthousiasme door dat ene zinnetje beantwoord.

Na de les gingen de cursisten huiswaarts of, zoals de heer Cornelissen, gingen ze op pad om de sleutels van de nieuwe auto in ontvangst te nemen. En uiteraard dienden de nieuwe verkeersregels voortaan te worden opgevolgd.


Met dit verslag is de oorzaak van de falende knipperlichtjes duidelijk, net zoals andere ogenschijnlijke technische haperingen aan de genoemde soorten auto’s zoals vastzittende gaspedalen of stuurinrichtingen.

Het is geen falen, het systeem werkt zoals het is ontworpen.