Ellende bij de supermarkt

Deze week ben ik de verliezer dus ik rijd de auto het parkeerterrein van de #supermarkt op. Nee, winkelen in het algemeen is geen hobby van me, vooral van kledingwinkels en supermarkten krijg ik bultjes. Rode, jeukende bultjes, waar je pas ruim na de beproeving weer vanaf komt en niet zelden zonder een medicijn, in vloeibare vorm,  in te nemen.

Meestal kunnen de boodschappen in een tas in de hand of aan de fiets mee naar huis, maar eens in de paar weken dient het zwaardere spul in huis te worden gehaald en dan is een auto met veel ruimte toch wel erg handig. En dan mag ik.

Het parkeerterrein is listig ingericht door een ontwerper die zelf waarschijnlijk geen auto rijdt, of het noodzakelijk ruimtelijk inzicht ontbeert. Alles kan en alles past, maar het vraagt een knap en oplettend sturen om die krappe parkeervakken in en uit te rijden.  Allerlei figuren die zich met volle winkelwagentjes naar hun auto’s begeven om daar alles uitgebreid over te hevelen maken het er ook niet echt gemakkelijker op. En natuurlijk zijn alle prettige parkeerplaatsen bezet. In een enkel geval  door een breed geparkeerde aso die extra ruimte heeft gecreëerd door half in twee vakken te staan, daar kan ik me best over opwinden. Ik denk er over om de wagen precies achter hem te zetten, zodat hij klem komt te staan. Het besef dat ik dan ook onschuldige mede-winkelslachtoffers  blokkeer weerhoudt me.

Ongeveer aan de uiterste rand van het parkeerterrein is nog een plaatsje. Ik zie de afstand die ik straks met een vol winkelwagentje moet afleggen en bedenk dat ik de auto ook thuis had kunnen laten. Zo ver woon ik niet van die supermarkt af en met een winkelwagentje loop je in tien minuten ook op en neer. Nou ja. Ik ben er nou toch.

Ik stuur de auto de parkeerplek op. Een achtergelaten winkelwagentje dat ik persoonlijk had gemist werd door mijn auto wel opgemerkt, ketste van mijn bumper af en bracht met een snerpend geluid een spannende kras met bijbehorend deukje aan op de ernaast geparkeerde BMW. Shit, shit, shit. Onwillekeurig kijk ik om me heen. Twee dingen. Heeft iemand het gezien en zijn er verderop nog andere parkeerplaatsen waar ik heimelijk naar toe kan vertrekken? Of, derde ding, zal ik weggaan om later nog eens terug te komen?

Twee dames  lopen achter de geparkeerde auto’s langs. Kijken ze, kijken ze niet of hebben ze gekeken? Dat is de grote vraag. Als ik hier lang blijf staan denken, dan kijken ze beslist.  Snel weggaan, dan kom ik mooi onder het gedoe uit.

Twee stevige tikken op het ruitje naast mij wekken mij uit alle ontsnappingspogingen. Naast mij staat een man in een duur blauw pak, dat kleurrijk afsteekt tegen zijn rood aangelopen gezicht. Erg blij kijkt hij niet. Van wegrijden is dus geen sprake meer, da’s nou jammer. Ik draai, een beetje onwillig, het raampje naar beneden.

‘Zeg vader’, schreeuwt het blauwe pak, hoewel ik me van geen familieband bewust ben, ‘wat denk jij wel niet?’ Een wat cryptische vraag, maar het vermoeden dat het blauwe pak iets met de BMW naast me te maken heeft begint voorzichtig vormen aan te nemen.

‘Uhh, ja sorry, ’ begin ik mijn verweer, ‘dat winkelwagentje…’

‘Uitstappen!’ schreeuwt het blauwe pak verder, ‘anders trek ik je door dat raampje naar buiten!’ Nou is dat raampje niet erg groot en het idee daardoor de auto te moeten verlaten trekt me niet erg. Met knikkende knieën, kloppend hart en zweethandjes verlaat ik de auto. Valt nog niet mee, want de ruimte op zo’n parkeerplaats…. Nou ja. Hebben we het al over gehad.

‘Wat denk jij wel? Een beetje mijn hele auto vernielen!’

Nou ja, hele auto vernielen…  Je kunt ook overdrijven en zo’n opmerking vraagt dan ook om enige relativering. Ik tracht het blauwe pak duidelijk te maken dat het maar een klein deukje en een klein krasje is. En bovendien, het is zijn eigen schuld, waarom zet hij dat winkelwagentje dan ook op zo’n stomme plaats?

Niemand heeft me gewaarschuwd voor ontploffingsgevaar, vuurwerk of zeer plaatselijk onweer met bliksem en donderslagen, maar iets dergelijks moet precies op dat moment zijn losgebarsten, tegelijk met een acute zonsverduistering.

Ik word wakker in een ziekenhuisbed, vraag me af waar en wie ik ben. Een vriendelijke verpleegster snelt toe en verzekert me dat alles goed komt. Ze noemt een naam, die ik niet als de mijne herken.  Misschien door al dat verband om mijn hoofd. In de weerspiegeling van de ruit herken ik mezelf niet en vraag me af hoe ik ineens hier terecht ben gekomen. Wakker geworden in een vreemde wereld, mezelf niet herkennend en verplegend personeel dat alles over me schijnt te weten. Een vreemd gevoel  bekruipt me, maar niet lang. Langzaam zak ik opnieuw weg in een donkere tunnel van bewusteloosheid.

Het gaat inmiddels best wel weer goed met me. Ik mag al weer twee keer per dag even in een stoel naast het bed zitten. Misschien mag ik volgende week naar huis. Hopelijk heeft iemand anders dan de boodschappen gedaan.

 (c) 2014-2017 Hans van Gemert

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *