Categoriearchief: Geen categorie

bevend op aarde

Als je wakker wordt en niets hebt dan een herinnering – en zelfs dat niet …

Vandaag is de eerste dag van mijn leven. De lange, vreselijke nacht is eindelijk voorbij, de zon kijkt uit over een nieuw landschap, over een aarde die zo nu en dan nog krachtig nahikt na de vernietigende schokken van afgelopen nacht. En ik ben wakker geworden, o God, ik ben wakker geworden. Ik lig schokkend en bibberend in het gras waar ik veilig denk te zijn voor vallende bomen, balken of stenen.

Mijn hoofd doet zeer, korsten geronnen bloed zitten tussen mijn haren. Het huis, er was een vallende balk, dat weet ik nog. En toen was er pijn, en een alles overheersende doodsangst. Er waren golvende muren, een vloeibaar geworden dak, een bodem die wegzakte en een vlucht die maar ternauwernood lukte. En nu ben ik buiten. Een stem uit de radio van mijn half bedolven auto roept ons op om rustig te blijven, heeft het over getallen en de schaal van Richter, maar de klanken dringen niet echt tot me door.

Ik ril, van koude en van angst. Ik wil geborgenheid, vuur, warmte, maar er is geen huis meer waar ik kan schuilen of wegkruipen, er is alleen een stapel puin. Ik besluit een kampvuur aan te leggen. In mijn broekzak vind ik een aansteker, met wat papier en stukjes hout heb ik de warmte die ik nodig heb. Een boom is precies gevallen over de beek naast het huis, waarin een roeiboot lag. Alles is kapot, de resten van de waardeloos geworden roeispanen gooi ik op het kampvuur. De beek zelf is droog, het water is verdwenen, geen idee waar het naartoe is.

Een zorgeloos en prettig leven is in één nacht vernietigd, kansloos als een sneeuwbal in de hel. Er is niets meer, helemaal niets. Wat moet ik nog? Rillend staar ik in de vlammetjes. De zon klimt hoger en tooit de bloemenkrans in de wei in een felgekleurd licht, maar ik zie het nauwelijks.

Ik heb honger en wil eten. Angstig loop ik naar de resten van mijn veiligheid, een veiligheid die een grote leugen is gebleken. Rommelend tussen het puin zie ik een kussensloop liggen. Doelloos, onverschillig raap ik wat willekeurige voorwerpen bij elkaar. Een bord, een beker, een mes. Een paar blikken bonen of erwten. Een spiegel. Ik zie een klosje afzetlint, misschien te gebruiken als touw. Alles wat ik vind neem ik in de kussensloop mee, en leg het naast het kampvuurtje neer. Ik loop een paar keer en verzamel wat ik kan vinden, tot het verschuivende puin me waarschuwt niet verder te gaan.

En dan zit ik weer op de grond. Ik ril nog steeds, het vuur kan mijn angst niet verwarmen, van binnen ben ik te koud. En verder lijkt het alsof ik niets meer voel, er niets meer te voelen is. Alsof de wereld stil en dof om me heen ligt. De spiegel ligt voor me. Het spiegelbeeld laat me een onbekende man met een ringbaardje zien. Wie is hij? Of beter: wie ben ik? Ik voel een nieuwe golf koude wanhoop door me heen gaan, opnieuw zinkt de bodem onder me weg, maar nu alleen in mijn beleving. Wie ben ik? Ik knijp mezelf in mijn arm, ik sla tegen mijn eigen wang, maar het is geen droom die voorbij gaat. Alles is echt. Maar, wie ben ik? Er is niets, geen enkele herinnering aan mijn leven vóór de aarde schudde, mijn geheugen is leeg.

Ik herken voorwerpen om me heen, ik denk in woorden, maar geen enkele gedachte helpt me met die éne vraag die schreeuwt in mijn binnenste. Wie ben ik?

En dus zit ik hier, helemaal alleen en verlaten, midden in de verwoesting van mijn leven. Alles is weg, zelfs mijn eigen ik. En het gruwelijke besef dringt tot me door: vandaag is de eerste dag van mijn leven.

de nieuwe meubels

Over de acties van een belhamel

Foto: Hans van Gemert

Foto: Hans van Gemert

De deur van de showroom gaat automatisch open om twee nieuwe bezoekers toe te laten. Vader en zoon, zo te zien. De vader draagt een lange, witte baard. Zijn zoon loopt op zijn spillebeentjes en met een terneergeslagen blik achter hem aan.

‘Dag meneer Witmans’, roept de verkoper enthousiast, ‘bent u daar al weer?’

‘Ja’, bromt Witmans met een stekende blik op zijn zoon, die snel een pasje achteruit deinst, ‘het was nodig.’

‘Toch geen klachten over uw vorige aankoop, hoop ik?’

‘Nee, het was een fantastisch stoeltje. Maar hij daar’, met een priemende vinger in de richting van zijn zoon, ‘hield zich niet aan de voorschriften.’

‘Toch niet… die grote paddenstoel, rood met witte stippen…’

‘Jazeker. Daarop zat kabouter Spillebeen heen en weer te wippen!’

‘En toen?’

‘Krak, zei de paddenstoel!’

De verkoper slaakte een diepe zucht.

‘Precies! Allebei zijn beentjes, hoepla, in de lucht!’

‘Wat jammer, wat jammer’, zei de verkoper hoofdschuddend. ‘Dat is werkelijk pech. Maar weet u wat, ik zal het goed met u maken.’

De verkoper wees vader en zoon naar een hoekje van de showroom, waar twee schattige stoeltjes in een herfstachtig tafereeltje de kopers in vervoering dienden te brengen.

‘Kijk, ter vervanging van het defecte exemplaar heb ik een fantastische aanbieding. Speciaal voor u, deze twee leuke stoeltjes voor de prijs van één.’

Witmans krabde zich eens onder zijn rode puntmuts. ‘Dat lijkt me uitstekend. En jij,’ de vinger werd nogmaals priemend naar zijn zoon uitgestoken, ‘jij betaalt mee, belhamel!’

De zoon haalde, een beetje bibberend op zijn spillebeentjes het beukennootje tevoorschijn, zijn bijdrage in de onkosten.
Tevreden liep Witmans met zijn zoon even later de deur uit, ieder een stoeltje onder de arm. De verkoper keek hen na. Een tweede verkoper kwam naast hem staan. ‘Heb je die herfststoeltjes verkocht?’

‘Ja’, antwoordde de eerste, ‘blij dat we nu van die oude collectie af zijn.’

onverwachte hulp

Als de nood hoog is…

Het is koud, het is geen temperatuur om lang buiten te zijn. De grijze lucht belooft sneeuw en een koude wind veegt de straten leeg. Binnen branden de lampen en de kacheltjes, ijle rookpluimpjes verheffen zich boven de gemetselde schoorstenen. Een enkeling waagt zich in de kou, voor een bezoekje of een snelle boodschap in het enige winkeltje dat het dorp rijk is.

Zuchtend staat de oude vrouw voor het raam. Huiverend trekt ze haar omslagdoek wat steviger om zich heen. Bij haar brandt de kachel niet. Het laatste hout is door de vlammetjes verteerd, enkele verkoolde stukjes liggen als eenzame stipjes tussen de grijze as. Op de randjes van de ramen groeien de ijsbloemen. Ze weet nog wel hoe ze als kind de lijnen volgde, hoe ze verrast was als het doffe ijs door de aanraking met haar warme vingers weer bijna doorzichtig werd. Een beetje treurig staart ze van haar vingers naar het gebloemde glas. Het zou niet werken, deze keer niet. Met haar koude vingers omvat ze de stof van haar kleding, maar veel warmte vindt ze niet.

Langzaam schuifelt ze naar de tafel, het gaat niet meer zo snel. Er staan twee houten keukenstoelen. Eén van haar en één van Krelis. Ze gaat op de hare zitten. Hoe anders was de vorige winter nog geweest. Krelis leefde nog, er was volop hout voor het vuur en de tafel stond vol met warme spijzen. Ze leefden misschien eenvoudig maar er was geluk, er was vreugde in de gebeurtenissen van alledag.

Vermoeid laat ze haar hoofd op haar armen zakken. Het levert haar een glimpje extra warmte op, een klein stukje geborgenheid in zichzelf. Als vanzelf vallen haar ogen toe, ze weet het, ze geeft eraan toe. En waarom ook niet?

Als de eerste sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen kijken twee ogen naar de oude vrouw die verkleumd en vermoeid met haar hoofd op de tafel rust. Hij schudt zijn hoofd.  Dan draait hij zich om en gaat zoals hij is binnengekomen, onzichtbaar en onopgemerkt. Waar komt hij vandaan, waar gaat hij heen? Lang blijft hij niet weg, een paar minuten hooguit. Als hij terugkomt is hij niet  alleen. Een viertal soortgenoten vergezelt hem. Ook zij kijken om zich heen, een frons op het baardige gezicht. Er is een kort, fluisterend overleg, de hoofdjes knikken.

Als de oude vrouw na een half uurtje wakker wordt wrijft ze zich ongelovig in de ogen. De kou heeft plaatsgemaakt voor  behaaglijke warmte. In de haard brandt een vrolijk vuurtje, de houtbak is volledig gevuld. De lantaarns langs de wand verspreiden hun gezellige, flakkerende kaarslicht. Op tafel staat een mand, gevuld met vers brood, worst, kaas, en nog andere lekkere etenswaren.

Het kleine mannetje naast de mand maakt een diepe buiging terwijl hij zijn rode muts in zijn hand houdt.

‘Voor alle keren dat je aan ons dacht,’ zegt hij, ‘ons hebt geholpen, ons thuis hebt laten voelen zónder van alles van ons terug te vragen. En dat is heel bijzonder voor eens mens.’

Hij buigt nogmaals. ‘We komen terug’, belooft hij. Dan springt hij van de tafel op de stoel van Krelis, dan op de grond. Tussen de donkere spleten in de muur verdwijnt de kabouter uit het zicht.

het verhaal van linker en rechter

De snelwegschoen

Afbeelding: LUM3N via Pixabay

Afbeelding: LUM3N via Pixabay

Op zekere dag stapte Martijn de schoenwinkel in de Dorpsstraat binnen. Na enkele paren gepast te hebben viel zijn keuze op een bijzonder mooi setje, bestaande uit twee schoenen met de namen Linker en Rechter. Martijn was erg blij met zijn nieuwe schoenen en zijn nieuwe schoenen waren erg blij met Martijn. Samen beleefden ze allerlei avonturen. Martijn ging met Linker en Rechter op vakantie naar verre landen, naar het werk, en ze waren zelfs bij elkaar als Martijn met zijn vriendin uit eten ging. Hoe mooi kon het leven zijn?

Tot die ene verschrikkelijke dag aanbrak, net toen ze een jaar samen waren. Martijn ging opnieuw de schoenwinkel binnen en kocht een nieuw paar schoenen. ‘Ik houd ze meteen aan’, hoorden ze Martijn zeggen. En dat gebeurde. Linker en Rechter werden in een donkere doos gestopt, waar ze pas die avond uit mochten. Maar in plaats van te mogen staan op hun vertrouwde plekje onder de stoel op de slaapkamer, werden ze nu in de donkere kast gezet. Je begrijpt, dat vonden Linker en Rechter helemaal niet fijn. Als het diep in de nacht was fluisterden ze samen en haalden ze herinneringen op aan de mooie dagen toen ze nog met zijn drietjes op stap gingen.

De dagen verstreken, de ene na de andere. Maar de kast bleef dicht en donker, Linker en Rechter verloren elk gevoel voor tijd en hun gesprekken werden minder en minder. Maar hun dromen over de verre landen en de mooie dagen, die gingen gewoon door.

Op zekere dag ging de kast open en Linker en Rechter fleurden op van het binnenstromende licht. Zouden ze dan eindelijk weer? Maar nee. Martijn haalde er alleen een overhemd uit en de kast werd opnieuw gesloten.Linker en Rechter schoven in het donker dichter naar elkaar toe.

‘Dit kan zo niet langer’, zei Linker.

‘Nee’, zei Rechter, ‘ik wil zo graag het licht weer zien!’

‘We lopen gewoon weg!’

Dat was een goed idee van Linker en samen overlegden ze hoe ze dit het beste konden aanpakken. De volgende dag kregen ze hun kans. Martijn haalde weer een kledingstuk uit de kast, maar de kastdeur bleef deze keer op een kiertje staan.

Linker en Rechter dachten niet lang na, het was nu of nooit! Heel voorzichtig slopen ze die nacht uit de kast, toen van de trap af en door het kattenluikje naar buiten. O, wat was het heerlijk om weer buiten te zijn! Samen liepen ze door de donkere straten. Natuurlijk moesten ze heel goed uitkijken dat de mensen hen niet zagen lopen, dus als er iemand in de buurt kwam stonden ze helemaal stil, liefst in een verborgen hoekje langs de weg. Toen ze bij de snelweg waren gekomen zei Linker: ‘Ik denk dat we hier links af moeten.’

Dat was Rechter niet met hem eens. ‘Nee, we moeten juist rechts af.’

Daar bleven ze even ruzie over maken, tot Rechter de knoop doorhakte. ‘Weet je wat,’ zei hij, ‘We splitsen. Jij gaat links, ik ga rechts. En als we dan aan het einde van de wereld komen, dan komen we elkaar vanzelf weer tegen.’ Dat klonk als een goed idee. ‘O, wat zullen we elkaar mooie verhalen kunnen vertellen dan!’

Zo gezegd, zo gedaan. Linker ging naar links, Rechter ging naar rechts. En zo trokken ze ieder de wijde wereld in.

Mocht je dus ergens langs de snelweg een losse schoen tegenkomen, dan is dat waarschijnlijk Linker of Rechter, want zover ik weet hebben ze het einde van de wereld nog niet bereikt.

een memorabele doop

Soms gaan er dingen een beetje anders dan gehoopt…

Haar dromen werden door de ratelende wekker wreed verstoord en onwillig opende Louise haar ogen. In de slaperige nevel van haar brein probeerde een gedachte hardnekkig naar de oppervlakte te komen. Een gedachte die ze, daar was ze zeker van, ook weer zou willen onderdrukken. Uit alle macht probeerde ze andere gedachten voorrang te geven, probeerde ze te denken aan de bloemetjes in haar tuintje. Van bloemen in de tuin naar een bosje bloemen dat haar overhandigd wordt, het is maar een kleine stap en de gedachte brak definitief door. Vandaag was de dag waar ze naar uit had gekeken, maar ook de dag waar ze een beetje voor had gevreesd. Louise keek op de klok, schoot overeind en sprong het bed uit.

Op haar telefoon stond een berichtje voor haar te wachten van haar vader. ‘Goedemorgen lieverd, zorg dat je op tijd bij de haven bent!’

Een klein golfje ergernis ging door haar heen. Dat deed vader nou altijd, ze kon zelf best op de klok kijken.

In de badkamer keek haar gezicht haar vanuit de spiegel slaperig aan. ‘Ook goedemorgen’, mompelde ze. En hoewel de lippen van haar spiegelbeeld bewogen kwam er geen gesproken antwoord. Maar goed ook, dacht ze met een beginnend glimlachje bij zichzelf.

Ze zette de kraan van het bad aan, zodat ze in het warme water verder op haar gemak wakker kon worden. In gedachten nam ze het scenario van deze middag nog maar eens door. Allereerst de ontvangst, de toespraak van de burgemeester, en dan de fles goedkope champagne. Dat was háár taak en alle ogen zouden op haar gericht zijn.

Druipend stapte ze uit het bad en begon zich met de zachte handdoek af te drogen. Naakt stapte ze de badkamer uit en greep in de kast naar de stapel slipjes. En ze greep nog eens, opnieuw in het luchtledige. Shit. De was, helemaal vergeten! Vanuit de wasmand keken diverse ongewassen kledingstukken haar plagend aan. Wat nu? Ze kon toch moeilijk zonder! Hoewel… Nu de gedachte er eenmaal was voelde ze een prikkelende spanning. Er kwam een blosje op haar wangen en een weeïg gevoel in haar onderlijf. Ze aarzelde even en greep naar het rokje dat ze voor vandaag had uitgezocht, of eigenlijk, waar haar vader om had verzocht. ‘Dat staat je precies goed, lieverd’, had hij gezegd. En Louise was het met hem eens, het was eenvoudig maar stijlvol.

Kritisch bekeek ze zichzelf in de spiegel. Het rokje kwam tot net een klein stukje boven de knie. Als ze gewoon liep, dan bleef de gevarenzone uit beeld. Ze maakte een klein sprongetje en ook dát bleek geen rampen te veroorzaken. Gerustgesteld bracht ze vervolgens de rest van haar outfit en haar haren in het gewenste model. Make-up gebruikte ze niet veel, precies genoeg om onderscheidend naturel te zijn.

Een uurtje later stond Louise gespannen op de kade. Het nieuwe jacht van haar vader lag wit te glanzen van nieuwigheid in het warme zonlicht. Een licht, fris briesje zorgde voor wat aangename verkoeling.

Waarom er bij dit soort gelegenheden altijd zo lang gepraat moest worden was voor Louise een raadsel. Eerst haar vader, dan de directeur van de werf en tot slot de burgemeester. En daarna was zij eindelijk aan de beurt voor de laatste, officiële handeling. In haar handen hield ze de champagnefles waarmee het jacht, dat háár naam droeg, zou worden gedoopt.

Verwachtingsvol keek iedereen haar aan. Fotografen hadden hun camera’s in de aanslag om het historische moment vast te leggen. Met een sprongetje gaf ze de fles het zetje dat nodig was om het schip te bereiken. Precies op dat moment versterkte het briesje de opwaartse beweging van haar rokje. De camera’s klikten.

de natte verrassing

Een slim idee, volgens Mathijsen, houdt het openbaar vervoer droog.

Afbeelding door Jan Huber via Unsplash

De regen kletterde al dagenlang met bakken neer, het water in vaarten en rivieren kon niet goed meer in de beddingen worden gehouden en de straten van de stad begonnen vol te lopen. Alsof dat nog niet erg genoeg was, spraken de weersverwachtingen nog van dagenlange nieuwe wateraanvoer.
Wilma stond voor het raam van haar appartement en keek op haar horloge. Tien voor half negen, bijna tijd om te vertrekken. Met zichtbare tegenzin stond ze op en trok haar lieslaarzen aan. Erg flatteus was het misschien niet, maar met dit weer waren haar gewone hakschoentjes geen reële optie. Haar regenjas hing aan het haakje, vlak bij de verwarming. Gelukkig was die inmiddels zo goed als droog. Ze had er een gruwelijke hekel aan om een koude, drijfnatte jas aan te moeten trekken. Ze rilde even bij de gedachte. Ook de zuidwester was inmiddels droog en zorgvuldig zette ze deze op haar hoofd. Goed dat er een koordje aan zat, ze zou het jammer vinden als de wind ‘m te pakken kreeg.

Ze had eigenlijk een hekel aan die zuidwester, het ruïneerde haar kapsel, voor zover haar weerbarstige pluizenbol te ruïneren was, tenminste. Maar aangezien een paraplu met deze wind ook al geen optie was zat er weinig anders op. Ze had er wel even over nagedacht, heel even en met een grote glimlach. Ze zag zichzelf al gaan, krampachtig aan een weggeblazen paraplu hangend. Een soort Mary Poppins, maar dan wat minder gracieus.

Op straat hapte ze naar adem, de harde wind maakte het ademen moeilijk. Geconcentreerd zette ze de ene voet voor de andere. Het was haast niet mogelijk plassen te ontwijken, hier en daar stonden de straten blank. Voorbijrijdende auto’s zorgden voor een koude waaier van regenwater. Met een grimmig lachje bedacht Wilma dat de lieslaarzen echt zo gek nog niet waren.

Gelukkig hoefde ze niet heel ver te lopen, het vervoersbedrijf waar ze de scepter zwaaide, was dichtbij. Opgelucht pelde ze haar drijfnatte bovenkleding af. Die jas was ook al niet meer wat het geweest was, dacht ze met enige spijt toen ze de natte plekken op haar bovenarmen ontdekte.
Haar humeur, toch al niet al te best vandaag, dreigde volledig te verzuipen toen ze op het stoeltje voor haar kantoor een gedaante waarnam met een rol papier onder zijn arm. Inwendig zuchtend herkende ze die nieuwe knul. Zo’n enthousiast en vasthoudend type, dat de hele dag door goede ideeën meende te moeten spuien. Ideeën als water, dacht ze grimmig bij zichzelf, en dat was op zo’n verzopen dag niet echt een aanbeveling. Hoewel, er zaten soms ook best bruikbare ideetjes bij, dat moest ze wat onwillig aan zichzelf toegeven.

‘Dag mevrouw de directeur.’

‘Dag Mathijsen, je bent er vroeg bij vandaag.’

‘Ja ziet u, ik heb een geweldig idee.’

Ik was er al bang voor, dacht Wilma bij zichzelf, hardop gevolgd door: ‘Kom maar even binnen dan.’

De deur was nauwelijks gesloten of de jongeman barstte los in een stortvloed van woorden, waarbij hij druk met zijn vinger op de uitgerolde tekening wees.

‘Gaat dat werken?’ vroeg Wilma, met één wenkbrauw opgetrokken.

‘Natuurlijk. Ik heb het uitgeprobeerd.’

‘Uitgeprobeerd?’

‘Ja, ik heb de hele nacht doorgewerkt.’

Tegen hardwerkend enthousiasme kon ze niet zo heel veel hebben. Hoewel…‘Ik wil het toch even zien.’

En zo stonden ze even later in de grote garage. Het overvloedige regenwater had zich via de kiertjes naar binnen gewerkt, de zwarte banden stonden inmiddels in een laagje van een paar centimeter water.

‘Ziet u wel, het is echt nodig!’

Wilma knikte. Er moest inderdaad nodig wat gebeuren. Wie weet wat het effect van al dat water zou kunnen zijn. Het was hooguit goed  voor de plantjes. Hoewel…Terwijl Wilma het tafereeltje van buiten het voertuig beschouwde opende Mathijsen een portier en stapte in. Hij drukte op een knop en de motor startte.
De wielen werden langzaam ingetrokken achter een aantal waterdichte kleppen. Tegelijk ontvouwde zich aan de zijkanten een groot luchtkussen en onder een luid geruis en heftig opspattend water verhief de bus zich enkele centimeters en gleed majestueus naar de deur.

Daar stopte hij en met een nieuwe druk op de knop zag de bus er weer precies zo uit als voorheen.
Dat gold niet voor Wilma.

Het zondagochtendgeluid

Het zondagochtend-geluid

Ik kijk op mijn wekker. Half zeven. En dat op een zondagochtend. Na een hele week de wekker die om vijf uur vrolijk begint te jengelen mag ik van mezelf op zondag uitslapen. Maar iets of iemand buiten is het daar niet mee eens. Daar is het geluid weer. Het klinkt als ….
Afbeelding van Gerhard G. via Pixabay

Afbeelding van Gerhard G. via Pixabay…

…een orkest van een aantal beroerd gestemde tandartsboren.

In een eerste opwelling trek ik het dekbed stevig over mijn oren. Een kansloze actie, want ik krijg het al snel knap benauwd. En wat erger is: het helpt geen fluit, het tandartsboor-ensemble scheurt met gemak door deze barrière heen.

De tweede opwelling laat mijn hoofd onder mijn kussen verdwijnen, met mijn handen daarbovenop tegen mijn oren gedrukt. Al even kansloos, want even benauwd en ook dit helpt voor geen meter.

Voor opwelling nummer drie moet ik mijn warme, comfortabele bedje verlaten en ik weet al dat de confrontatie van mijn voeten op het koude zeil de laatste restjes van mijn slaap onherroepelijk zal verdrijven.

Een nieuwe aanval op mijn trommelvliezen doet me beseffen dat elke poging om nogmaals naar dromenland af te reizen sowieso een kansloze exercitie zal zijn en met gepast chagrijn werp ik het dekbed van me af. Het inderdaad koude zeil maakt het er niet beter op, de lichte aanvaring van mijn kleine teen met de stoelpoot naast mijn bed trouwens ook niet. Een kort moment weet ik met een gepaste kreet zelfs de herrie van buiten te overstemmen. Mijn humeur keldert in een rap tempo, zeker omdat ik inmiddels ook het geluid meen te herkennen. Geen tandartsboren, het is veel erger. Een bladblazer, en zo te horen een grote ook. Dat kan maar één ding betekenen: de buurman.

Na met enige moeite naar het raam te zijn gestrompeld, mijn kleine teen doet gemeen pijn, ruk ik het gordijn open. Iets te fanatiek, iets te hard, het eindstopje op de gordijnrail kan het geweld niet aan, en daardoor vliegen allerlei gordijnrollertjes en -haakjes door de kamer, het gordijn zelf blijft in mijn handen achter. En aangezien ik geen half werk lever, het is naast het overgordijn ook de vitrage die is losgekomen. Met mijn gebruikelijke geluk vind ik onderdelen van het ijzerwerk vanavond in mijn bed als ik me net lekker omdraai. Maar dat is dus iets voor vannacht.

Nu de gordijnen verdwenen zijn stroomt het vroege ochtendlicht door het grote raam ongehinderd fel de kamer in. Dat raam werkt trouwens naar twee kanten, in mijn slaapkostuum kan ik in de meeste sauna’s uitstekend voor de dag komen, voor het open raam is het toch wat onthullender dan gewenst. Het is maar goed dat ik dat overgordijn nog in mijn hand heb en met een snelle beweging weet ik de al te uitbundige onthullingen te verbloemen. Het is in ieder geval niet de beste outfit om voor het open raam de buurman eens naar behoren de les te lezen. Want, dat is me ondertussen wel duidelijk geworden, het is inderdaad de buurman en het is inderdaad een buitenmodel bladblazer die hij nogal fanatiek hanteert.

Een stevige schreeuw in zijn richting komt helaas niet aan. Dat komt op de eerste plaats door het gejank van die ellendige bladblazer, maar bovendien heeft hij een enorme koptelefoon op zijn oren staan. Misschien is hij onverwacht een muziekliefhebber, maar vermoedelijk wil hij gewoon graag hinderlijke geluiden buiten zijn oren houden. Schreeuwende buurmannen, bijvoorbeeld.

Tijd voor een iets intensievere schreeuwactie. Ik begin met het zo wijd mogelijk open zetten van het naar binnen draaiende raam, en vervolgens wil ik met beide handen een soort toeter maken waardoor ik nog wat harder kan roepen. Maar ja, dat gordijn blijft zonder een assisterend handje niet in de beschermende positie zitten. Het komt dus neer op snelheid en timing. Terwijl de bescherming naar de grond zakt weet ik een ware oerwoudkreet op volle kracht de tuin in te slingeren, en daarna duik ik naar beneden om het gordijn weer op te pakken. Snelheid is belangrijk, want het moet de buurman wel duidelijk zijn wie hem zojuist vriendelijk heeft toegeschreeuwd, en dus kom ik weer snel overeind. Iets te snel, iets te onvoorzichtig, want onderweg komt mijn hoofd het raam tegen. En niet te zuinig ook.

Als ik weer bijkom is het al laat op de ochtend. Mijn hoofd bonkt en gonst op een hoog niveau, en is voorzien van een bult van heb-ik-jou-daar. Maar, dat is dan weer een gelukje, de buurman is inmiddels klaar met zijn bladblazer!

Dit verhaal is geschreven naar aanleiding van een schrijfuitdaging op Schrijvelarij, waarbij het stukje in de inleiding is gegeven.

pluim, de supereekhoorn

Als het bos in nood is, dan hebben we onze superheld gelukkig nog!

foto: Hans van Gemert

foto: Hans van Gemert

Pluim de eekhoorn zat op een hoge tak in de boom over de wereld uit te kijken. In de verte, aan de rand van het bos, waren graafmachines druk aan het werk. Pluim vond het maar niks. Al die herrie, die stank! Waarom gingen die mensen niet gewoon ergens anders spelen!
Op dat moment kwam Gerrit de Postduif aangevlogen.

‘O Pluim’, riep hij al van verre, ‘het is verschrikkelijk!’

Hijgend van de ingespannen vliegtocht streek hij op het takje naast Pluim neer.

‘Wat is er aan de hand, Gerrit?’

‘De mensen, ze hakken zomaar bomen om!’

‘Het is niet waar!’
Maar het was wél waar. De bijlslagen waren al te horen.

‘Daar aan de rand van het bos is mijn huis, wat moet ik nou?’ jammerde Gerrit vertwijfeld.

Pluim streek eens over zijn staart. Hij wist het, dit was een taak voor de Supereekhoorn! Toen Gerrit jammerend naar de volgende boom vloog schoot Pluim zijn huisje in, trok snel het blauwe truitje aan met de grote rode S erop, en haastte zich door de boomtoppen naar de rand van het bos, waar juist een boom met een donderende klap op de grond terecht kwam.

Pluim aarzelde geen moment, pakte de boomstam op en viel daarmee de verbijsterde mensen aan. Pats, pats, daar ging de eerste graafmachine tegen de vlakte. Boem, boem, daar  ging de volgende. Op nog meer klappen stonden de mensen niet te wachten en ze maakten dat ze weg kwamen.

‘Zo’, zei Pluim, terwijl hij de boomstam rechtop in de grond pootte, ‘dat is weer opgelost. Die blijven voortaan wel weg.’
En zo was het ook. De mensen liepen vanaf die dag met een grote boog om het bos heen. De dieren leefden nog lang en gelukkig, daar zou Supereekhoorn met zijn superkrachten wel voor zorgen!

Drama’s in de regen

Het weer was al dagenlang nat. Bijzonder nat, en stormachtig. De nieuwsberichten spraken onophoudelijk over ondergelopen kelders en wegen, en omgewaarde bomen. Bovendien zag het er niet naar uit dat het nog ooit op zou houden.

Nicole keek met grote angstogen naar de regen die onophoudelijk tegen de ruiten sloeg. De straat stond inmiddels ook hier blank, het riool had de niet aflatende stroom regenwater niet langer kunnen verwerken. Het grasveldje voor het huis ging steeds meer gebukt onder de stijgende waterlast. Hier en daar konden de grassprietjes nog maar nauwelijks hun topje boven het water getild krijgen.

Het was gewoon niet eerlijk van mama. Ze had bést nog eventjes naar buiten gekund. Zo erg was nat worden toch niet? Ze moest toch ook regelmatig onder de douche? Daar werd je toch óók nat van? Maar mama was onverbiddelijk geweest. Het mocht niet. Echt niet. En nu het steeds harder was gaan regenen en waaien moest ze mama wel een beetje gelijk geven. Er waren niet veel mensen op straat, héél soms zag je een dikke regenjas of regenpak voorbij komen lopen of fietsen. Nou ja, er zat vast ook iemand in, dat snapte Nicole ook wel. Het was eerst nog wel een beetje grappig geweest. Mensen die diep gebogen tegen de wind probeerden op te boksen. Of fietsers die met de handen aan de rem voorbij kwamen geflitst. Er waren steeds langere fonteinen van water geweest als ze door de plassen reden.

Een kwartiertje geleden was het ineens niet grappig meer. Ze zag hoe een meneer op de fiets door een windvlaag omver werd geblazen en op de straat viel. En hij stond niet op, hij bleef gewoon in het water op de straat liggen. Even had ze verbaasd gekeken. Toen had ze mama geroepen.

‘Mama! Er is een meneer gevallen en hij staat niet op!’

Mama was meteen gekomen. Na een korte blik door het raam was ze naar buiten gerend, zonder jas, gewoon op haar kousenvoeten. Er waren nog meer mensen naar buiten gekomen en ze hadden bij de gevallen meneer gestaan. Maar hij stond niet op, nog steeds niet. De buurvrouw had een paraplu gehaald om boven hem te houden. Bij de volgende windvlaag was die uit haar handen gerukt en Nicole had door het raam de paraplu heel lang nagekeken, tot hij als een klein stipje boven de bomen in de straat was verdwenen.

Toen was er een ziekenwagen gekomen, de kamer flitste blauw op van de zwaailichten en Nicole had haar handen voor haar oren gehouden tegen het harde geluid van de sirene. Er waren mannen uitgestapt en ze hadden de gevallen meneer op een bedje gelegd en toen in de wagen gedragen. Daarna waren ze weer weggereden. Mama was doornat en met een bleek gezicht binnengekomen.

‘Ik ga me even douchen en dan wat droogs aantrekken’,  en met die woorden had ze Nicole in de kamer achtergelaten. Buiten kletste de regen nog steeds in stromen neer. Op straat waren geen mensen meer te zien. Alleen die fiets. Iemand had hem tegen een boom gezet. Het gaf Nicole een akelig gevoel, die fiets, maar ze moest er toch de hele tijd naar kijken.

Eigenlijk was alles akelig. Die fiets. Die regen, die harde wind. Nicole wilde maar dat het op zou houden. Ze keek nog eens naar het verdrinkende gras in de voortuin. En wat daar lag. Eigenlijk stom van mama. Die was toch al nat, waarom had ze het nou niet meegenomen? Even twijfelde ze. Zou ze toch niet zelf heel eventjes? Mama was nou toch boven.

Ze stond op en ging naar de deur.

‘Wat ben jij van plan?’ Mama’s stem klonk een beetje boos.

Teleurgesteld en geschrokken schoot Nicole terug de kamer in.

Er zat niets anders op dan wachten. Die regen zou toch wel een kéér ophouden?

Maar het duurde de hele dag. ’s Avonds in bed hoorde ze nog steeds de wind en de regen en een beetje bedroefd viel ze in slaap.

De volgende ochtend was alles anders. De regen was opgehouden en er scheen een bleek zonnetje. Er waren nog wel plassen, maar er waren ook al drogere stukken op straat.

‘Mag het nou wel?’ vroeg ze aan Mama.

‘Ja hoor.’

Nicole stapte naar buiten. Gelukkig. Hij lag er nog. Op het gras lag haar lievelingsspeelgoed, een echte bus met allemaal vrolijke kleurtjes. Helemaal nat, maar ook helemaal schoongespoeld. Ze pakte de bus op en nam hem mee naar binnen. Eén ding was wel zeker. Ze zou nóóit meer vergeten het speelgoed op te ruimen!

Beslommeringen van een directeur

Evert-Jan van Stoetewael keek vanuit zijn directiestoel naar buiten. Dat was misschien het enige voordeel van zijn werk, een kantoor op de bovenste verdieping en met een fantastisch uitzicht over stad en streek.

Zijn vader en grootvader waren vóór hem ook directeur geweest van het familiebedrijf, een van de grootste zuivelfabrieken uit het gewest. Trotse mannen met een groot plichtsbesef en een enorme werklust. Evert-Jan had dat wat minder. Begrijp me goed, hij was niet lui aangelegd en met zijn plichtsbesef was ook niets mis. Als het nu maar een ander soort fabriek was geweest. Tandpasta of zo. Want een zuiveldirecteur met een koemelk-allergie, die letterlijk over zijn nek ging bij de aanblik van een glas melk of een bekertje yoghurt, dat maakte niet bepaald een sterke indruk.

Evert-Jan zuchtte diep. De dag was vandaag ook al niet best begonnen. Hij had juist zijn auto geparkeerd en was op de voordeur afgestapt toen hij een penetrante geur opving. Achterom kijkend zag hij bruine voetstappen en een blik onder zijn schoenzolen bevestigde zijn bange vermoeden. Door binnen te lopen zou hij de nieuwe mat opsieren met vlekken en een stevige geurvlag. Dat mocht niet gebeuren en die schoenen moesten dus schoon. Zijn vingers waagde hij daar niet aan, zijn gouden vulpen ook niet. Uit de grote asbak bij de voordeur zocht en vond hij tussen de peuken een afgebrande lucifer om daarmee de ongerechtigheden weg te pulken. Toen de lucifer brak en hij alsnog met zijn vingers in de smurrie terecht kwam ontsnapte hem een kreet van ergernis. Hij prees het lot dat hij altijd een stevige zakdoek bij zich had, zeg maar formaatje tafelkleed, en veegde hiermee zijn vingers schoon. De zakdoek vouwde hij zorgvuldig op en stopte deze gedachteloos weer in zijn broekzak. Een kwartiertje later kwam hij deze  echter weer tegen toen hij werd overvallen door een flinke niesbui bij de aanblik van een nieuwe reclameposter met daarop prominent een glas melk.

Een kwartiertje poetsen in de toiletruimte, waarbij het hele programma aan zeepjes uit de kast werd gehaald, had het grootste deel van de dampen die rond vingers en neus waren blijven hangen min of meer weggewerkt.

De zakdoek had hij niet meer in zijn broekzak durven steken. Even had hij getwijfeld, misschien zou hij met een schaar de vuiligheid kunnen wegknippen, maar nadere inspectie leerde dat dit een hopeloze exercitie zou zijn. Met spijt schoof hij de zakdoek in de afvalbak in de toiletruimte. Met een vage grijns bedacht hij dat de geur daar in ieder geval minder uit de toon zou vallen. Wel jammer, hij zou weer naar de winkel moeten voor nieuwe zakdoeken.