dreigend water

Wilma zat op de bank en keek verontrust naar buiten. Het regende nu al dagen. Dat was op zichzelf niet zoveel bijzonders, dat kwam wel vaker voor. Maar de combinatie van al die regen met smeltwater dat in deze tijd van het jaar door de grote rivieren naar de lage landen werd aangevoerd én de overmatige regenval stroomopwaarts zorgden voor ongekend hoge waterstanden. De weersvoorspellingen voor de komende dagen beloofden niet veel goeds. Er zou nog veel water naar beneden komen, nog heel veel.

Natuurlijk werden de dijken regelmatig onderhouden en gecontroleerd, maar niemand kon voorspellen wat er zou gebeuren als de waterdruk van rivieren en kanalen zo lang zó groot zou zijn. De mannen van de dijkbewaking maakten overuren om alles te controleren. Haar Jacco was één van hen. Gisteravond laat was hij bleek van vermoeidheid thuisgekomen en vanmorgen al weer vroeg de deur uitgegaan. Ze had de blik in zijn ogen gezien, Wilma was er niet gerust op. Voor hém niet, en voor het stijgende water niet.

Zeker, het was de afgelopen dagen spectaculair geweest om het één na het andere waterrecord te zien sneuvelen, en de blauwe watermeter bij de brug langzaam te zien verdrinken. De brug was inmiddels verboden terrein, het water rukte te krachtig aan de pijlers. Schepen konden niet meer passeren en kwamen op de gedwongen aanlegpunten angstvallig hoog boven de dijk uit. Behalve Jacco en het water was ook die dijk constant in Wilma’s gedachten. Hoe kon het ook anders, zo’n honderd meter verderop torende de altijd aanwezige dijk metershoog boven het omringende land uit. Soms verbeeldde ze zich dat ze een golf water over de rand zag lopen en ze wist dat zich aan de onderzijde van de dijk inmiddels plassen van kwelwater hadden gevormd. Er waren zandzakken uitgedeeld, militairen en vrijwilligers werkten op volle krachten om ze gevuld te krijgen. Zij  hadden er ook een aantal, voor de tot mislukken gedoemde pogingen het water buiten de deur te houden, mocht de dijk toch zwakker blijken dan verwacht en gehoopt. Op een ander moment zou het bijna grappig zijn geweest. Nu niet, al lang niet meer. Wat konden zandzakken nog betekenen als er drie meter water op hen af zou komen? Niets. Het huis zou sowieso overspoeld worden. Het was zelfs niet te zeggen of het huis zelf het watergeweld zou overleven, en dat gold dan ook voor alle spulletjes die ze de afgelopen dagen naar de bovenverdieping hadden gesleept.

De harde wind floot om het huis en alhoewel de verwarming binnenshuis voor behaaglijke temperaturen zorgde kon Wilma een huivering niet onderdrukken. Op de dijk zag ze minuscule figuurtjes moeizaam in de wind lopen. Gebukt, voorzichtig en met een niet aflatende ijver. Zag ze nu meer haast dan zo-even? Ze was er niet zeker van. Ze probeerde in de gestaltes Jacco te herkennen, maar de felgele regenpakken verborgen alle individualiteit. Het was trouwens niet eens zeker dat hij deze ochtend precies het dijkstuk voor hun huis zou moeten controleren, de mannen hadden voor een veel groter traject zorg te dragen.

In de gang had ze een paar koffertjes klaargezet, met alle noodzakelijkheden voor een paar dagen. Voor het geval dát. Zoiets hoorde tegenwoordig bij de routine. Je moest altijd voorbereid zijn als het water steeg. Het was één keer ook echt tot een evacuatie gekomen, alweer jaren geleden. De kosten en de onrust waren enorm geweest, het gevoel van anticlimax ook, toen bleek dat alle dijken het zonder problemen gehouden hadden. En dus lag de gevarenlat nu hoger. Veel hoger.

Sommige bewoners hadden opblaasbootjes in gereedheid in hun garages, de wind maakte het geen optie om ze buiten te leggen. Volgens Jacco had zo’n ding weinig zin, mocht de dijk ooit echt doorbreken dan zou het water veel te snel stromen om zo’n bootje recht te houden. Bovendien, scherpe voorwerpen en boomtakken zouden de betrekkelijke veiligheid van een opblaasboot binnen de kortste keren aan flarden scheuren. Maar toch begreep Wilma die bootjes. Vastklampen aan hoop was beter dan angstig wachten op het onvermijdelijke. Al hoopte ze van ganser harte dat het onvermijdelijke toch vermeden kon worden.

Er reed een wagen stapvoets voorbij. Een dringende stem schalde uit de luidsprekers, maar de harde wind en de striemende regen maakten de woorden onverstaanbaar. Wilma’s onrust nam met sprongen toe en als vanzelf stond ze op en trok ze haastig haar regenpak en laarzen aan. Uit de koelkast haalde ze de tas met de voedselpakketten en wachtte bij de koffertjes op de dingen die komen zouden.

Ze hoefde niet lang te wachten. De voordeur werd opengesmeten, een druipnatte en hijgende Jacco stond op de drempel.

Zijn stem was dwingend en het spoortje angst erin onmiskenbaar. ‘Snel! We moeten snel zijn!’ 

Hij nam haar bij de hand en samen vochten ze zich door de wind naar de bonte verzameling gevorderde bussen en vrachtwagens, die een eindje verderop stonden te wachten.

5 gedachten over “dreigend water”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.